10 jaar schrijver

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 18-04-2018

Het is deze maand precies tien jaar geleden. De datum weet ik niet meer, wel dat het half april was. De appelbomen langs het spoor stonden in bloei. Ik zat in de trein van La Souterraine naar Paris Austerlitz terwijl de zenuwen door mijn lijf gierden. Het was vrijdag. De volgende dag zou ik acht Nederlandse journalisten te woord staan die speciaal voor mijn debuutthriller ‘Twee zomers’ naar Parijs zouden komen. Ik was schrijver. Want wie een boek heeft geschreven is een schrijver. Al voelde ik me dat allerminst. En over mijn debuut twijfelde ik zeer. In 2007 had ik het manuscript van ‘Twee zomers’ naar diverse uitgevers gestuurd. Meteen daarna was ik aan een tweede thriller begonnen. Over een man die vijftig wordt, een gîte huurt in de Creuse en zijn twee beste vrienden uitnodigt om naar Frankrijk te komen. Het boek had als werktitel ‘Vijftig’ en ik vond het stukken beter dan ‘Twee zomers’. Toen een uitgever zich meldde voor ‘Twee zomers’ en mij via de mail een boekencontract aanbood, mailde ik terug dat ik nog een ander en veel beter boek had geschreven en dat ze dat moesten uitgeven. We belden. Ik vertelde waar het boek over ging, maar de uitgever wilde het manuscript niet eens lezen. Een man die vijftig wordt klonk niet echt aantrekkelijk. Chantal Zwart, de hoofdpersoon uit ‘Twee zomers’, wel. Chantal was jong en mooi en – nog veel belangrijker – vrouw. Het thrillerpubliek bestond voor het merendeel uit vrouwen, doceerde de uitgever, en die lazen het liefst boeken met een vrouwelijke hoofdpersoon. De uitgever stelde zelfs voor dat ik me Michaela Berg zou noemen, want vrouwelijke thrillerfans lezen graag boeken geschreven door vrouwen. Ik wees het voorstel van de hand. Als ik een vrouw zou zijn kwam er geen foto op de achterflap, in ieder geval geen foto van mij, en ook zou ik nooit met de pers mogen praten. Was ik maar op het voorstel van de uitgever ingegaan, dacht ik terwijl Parijs steeds dichterbij kwam.  Morgen zou ik de pers ontmoeten en dan zouden ze me afmaken.

Maar eerst ging ik eten met Margot. Zij was het hoofd van de afdeling communicatie van de uitgeverij en had het plan bedacht om de journalisten naar Parijs te laten komen. Een slim plan. Parijs lag halverwege Nederland en de Limousin, waar ik woonde. De uitgever betaalde het treinkaartje. Wie wilde er nu niet gratis een weekend naar Parijs. Margot had een hotel geregeld in het Quartier Latin. Die avond zaten we in een zijstraat van de Boulevard Saint Michel in een goed restaurant. Na een glaasje bubbels haalde ze uit haar tas een boek en gaf dat aan mij. Het was ‘Twee zomers’. Het was een bijzonder moment. Voor het eerst hield ik mijn boek vast. Ik heb geen kinderen, maar ik stelde me voor dat een baby vasthouden ook zo moest voelen. Ik moest maar eens kijken op de eerste pagina, onderbrak Margot mijn gedachten. Daar hadden alle medewerkers van de uitgeverij die betrokken waren bij het boek een opdracht geschreven. Het waren fraaie en vooral stimulerende teksten van mensen die ik nog nooit ontmoet had. Met sommigen had ik gemaild en gebeld. Op de een of andere manier zaten ze plotseling allemaal aan tafel waardoor de avond nog feestelijker werd.

De volgende dag gaf ik in een kamertje in een hotel acht interviews. De journalisten waren buitengewoon aardig. Niemand zei iets lelijks over ‘Twee zomers’. Zo slecht was het dus ook weer niet. Het boek ‘vijftig’ zou vier jaar later toch nog worden uitgeven onder de titel Hôtel du Lac. Van de medewerkers die in het eerste exemplaar van Twee zomer schreven werkt er nog maar eentje bij de uitgever. De anderen zijn met pensioen of zitten inmiddels bij een andere uitgever. Het  boekenvak is een duiventil. Tien jaar na mijn debuut en acht boeken later zit ik, trouw als ik ben, nog steeds bij dezelfde uitgever.