Anna

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 17-10-2015

Anna is niet meer. Afgelopen dinsdag overleed ze. Veel te jong, maar lang genoeg ziek geweest. De laatste twee jaar aan bed gekluisterd, maar ze had gelééfd. En hoe! Groots en onstuimig. Ze kreeg haar eigen biografie nauwelijks op een rijtje.
Al jong de deur uit, weg uit het benauwde Beieren. Reizen naar Afghanistan, Perzië, Turkije en Israël. Een jaar in Caïro. Op haar 22e een bar annex galerie op het Griekse eiland Paros. Leven! En altijd met overgave. Drinken, roken, beminnen. Ritsen lovers, mannen en vrouwen.
In de zomer van 1985 leerde ik haar kennen. Op haar eiland. Ze was al een tijdje van haar vriendin af. De bar annex galerie was haar huis geworden. In het dorp gonsde haar naam. Anna, the queen of the island. Geliefd, begeerd, door sommigen gevreesd. Zodra we elkaar zagen, vonkte het. Zij zocht rust en mijn leven kon wel wat avontuur gebruiken. Dat ik uit Nederland kwam was minder. Anna was een kind van het zuiden, van de zon en de zee. Dat ik in Amsterdam woonde trok haar over de streep. Binnen de kortste tijd sprak ze vlekkeloos Nederlands, had ze haar eigen stamcafé en kende ze tout Amsterdam. Ze had een prachtige doorrookte stem waarmee ze aan de slag ging als Duitse voice-over. Europa TV, documentaires, bedrijfsfilms. Anna was retegoed. Ze wist wat ze las en kon elke tekst zonder één verspreking op de band zetten.
Toen ik van baan veranderde, kwamen we in Limburg terecht. Anna was er niet gelukkig. Ze wilde weg, weg uit Nederland dat haar steeds meer tegenstond. Waar was de tolerantie gebleven? Waarom haatte men er alles wat vreemd was?
Een paar jaar eerder hadden we een vakantieboerderij gekocht in Frankrijk, in de Creuse. Ik ga in Frankrijk wonen, zei ze. Ik weet niet wat jij doet, maar ik vertrek. Ze rekende me voor dat we genoeg geld hadden als we alles in Nederland zouden verkopen. Bovendien, zei ze, kun jij dan eindelijk dat boek schrijven.
We verhuisden naar de Creuse. Weinig geld, maar we hadden elkaar en alle tijd van de wereld. Ergens 2006 begon ik eindelijk aan dat boek. Anna las mee, kritisch, en als ik het even niet meer zag zitten, stimuleerde ze me om door te gaan. Toen het boek na een jaar klaar was, bedacht ze de titel: Twee zomers. Toen ik een uitgever had gevonden, vroeg ze of ik met haar wilde trouwen. Vanwege de royalty’s, grapte ze.
Bij de prijsuitreiking van De Gouden Strop schitterde ze door afwezigheid. Iemand moest op de beesten letten, zei ze, maar eigenlijk voelde ze zich toen al te moe om te reizen. De winter naderde. Anna zag er tegenop. We huurden een huis in de buurt van Grasse. Anna reed erheen, ik naast haar, de hond en de poezen achterin. Het was de laatste keer dat ze auto zou rijden. En toen ging het mis. Uitvalverschijnselen, epileptische aanvallen. Een paar keer dacht ik dat ze doodging, maar ze herstelde weer. Die winter lag ze vooral op de bank. Eén keer bezochten we de kust. Vanaf de rotsen staarde ze naar de zee, haar geliefde Middellandse Zee. We lunchten in een strandtent. Dat was het.
In maart reed ik haar terug naar de Creuse. Er volgden onderzoeken. De artsen konden niks vinden. Anna wilde geen verder onderzoek. Voor ziekenhuizen had ze een panische angst. De twee keer dat ze werd opgenomen zette ze alles op alles om er zo snel mogelijk weer uit te komen. Zodra ze thuis was, knapte ze weer op. Maar tijdens een nacht lazerde ze van de trap, omdat haar voeten en benen haar niet meer hielden.
Ze ging beneden slapen. In de alkoof in de keuken kwam een ziekenhuisbed te staan. Niet veel later had ze een rolstoel nodig omdat ze niet meer dan een paar passen durfde te zetten. Ondertussen waren we begonnen het huis te verbouwen. Rolstoel-proof.
April dit jaar verhuisde ze van de keuken naar de nieuwe salon. Vanuit het ziekenhuisbed keek ze uit op de cour, op het zuiden. Het was een mooie zomer. Ze leek weer wat beter te worden. Ik rolde haar een paar keer naar buiten, maar na tien minuten deed haar lichaam weer pijn. Ze moest liggen, altijd maar liggen. De inloopdouche heeft ze vijf keer kunnen gebruiken, zittend op een stoel. Het ligbad is nooit aangeraakt. Ik werd mantelzorger. We kregen een paar uurtjes per week thuiszorg. Dat is in Frankrijk prima geregeld. Tussendoor schreef ik aan Het meisje op de weg. Nooit lang aan een stuk, voortdurend kijkend of met Anna alles goed was.
Wil je iets lezen? vroeg ik. Ik lees het wel als het klaar is, antwoordde ze. Door de morfine was ze behoorlijk suf. Ze vertrouwde haar kritisch oordeel niet meer. En schiet op met dat boek, zei ze, anders ben ik dood. Toen Het meisje op de weg af was, las ze het boek op de e-reader. Ze vond het een prachtboek en zei dat ik naar Nederland moest voor promotie. Want dat was het plan. Alles was geregeld. Met extra thuiszorg, een lieve buurvrouw die een paar keer per dag zou langskomen en een kamer vol elektronica zodat Anna maar op een knop hoefde te drukken als ze hulp nodig had. Maar ik vertrouwde het niet. Ik blijf hier, zei ik. Onzin, riep ze boos, je gaat. Ik houd het nog wel even vol.
Dus begon ik afspraken te maken voor lezingen en interviews. Terwijl de twijfel aan me vrat. Ik zag hoe Anna langzaam steeds zwakker werd. Ik blaas de toer af, zei ik op een gegeven moment. Je gaat, riep ze woedend. Dat hebben we afgesproken. Nee, ik ga niet, zei ik, einde discussie.
Toen ging het razendsnel. Anna hoefde niets meer uit te stellen. Ze kon eindelijk alles loslaten. De laatste dag had ze ongelooflijke pijn, maar dankzij nieuwe morfinepleisters sliep ze toch vredig in.
Anna is niet meer.
Vanochtend – ik schrijf deze blog op vrijdag – kwam de exprespost met de auteursexemplaren van Het meisje op de weg. Anna heeft het boek nooit in haar handen kunnen houden.
Kut.
Ze is echt dood.
Ik kan het nog steeds nauwelijks geloven.