Bernardinus

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 31-07-2012

Volgend jaar bestaat het Bernardinuscollege in Heerlen, mijn oude middelbare school, 100 jaar. Voor het nog te verschijnen jubileumboek schreef ik het volgende stukje:

Hoe ouder, hoe sentimenteler. Misschien wordt dat gevoel nog wel sterker wanneer je, zoals ik, in het buitenland woont. Het verzoek om ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het Bernardinuscollege een paar herinneringen op te schrijven komt dan ook als geroepen.

Het eerste beeld dat ik voor me zie is dat van de eerste schooldag. Een septemberdag in 1968. De zon scheen. Met een spiksplinternieuwe schooltas gevuld met boeken vol vreemde talen, baande ik mij een weg tussen de hordes leerlingen. De gangen en trappen waren smal. Of misschien leek dat zo, omdat er zoveel leerlingen waren. Jongens, grote jongens, en veel sterker dan ik. Trekken, duwen. Het ging er ruw aan toe. Vooral aan de overkant van het schoolplein. Daar was de HBS, die dat jaar tot Atheneum werd omgedoopt, en er was een totaal nieuw schooltype: de Havo. Daar zaten de grootste rauwdouwers.

Ik was een brave leerling, net zoals de rest van de klas. We waren gymnasiasten en we waren doetjes. We waren hier om te leren. Als vanzelfsprekend keken we op tegen de docenten, vooral tegen de paters in hun indrukwekkende bruine gewaden en met hun sandalen met blote voeten. Tijdens de lessen heerste er orde. De eerste docent die bij binnenkomst de klas niet onmiddellijk tot zwijgen wist te brengen was de leraar Nederlands. Zijn negentiende-eeuwse verschijning, het driedelige krijtstreeppak, het malle vlinderdasje en zijn gewichtige manier van spreken werkten op onze lachspieren. De man was oud, stokoud. Die konden we wel aan, dachten we in onze naïviteit. De onrust duurde slechts een paar minuten. Daarna moesten we pen en papier pakken voor het dictee. Ik herinner me nog steeds de eerste zin: ‘Door vleierij en veinzerij trachtte hij bij de republikeinse partijleider in het gevlei te komen’. Er volgden nog negen zulke zinnen. Niet te doen. Met een duivels genoegen corrigeerde de leraar de dictees. Per fout één punt aftrek. De hele klas kreeg een ‘1’. Voor de moeite. De rest van het jaar was het tijdens de lessen Nederlands opmerkelijk rustig.

Rust is sowieso het eerste woord waar ik aan denk. Rust en concentratie. We waren vreselijke brave leerlingen. Ik tenminste wel. De enige opwinding ontstond toen ik mocht meedoen met de Januskop, de jaarlijkse interculturele uitwisseling met de twee andere middelbare scholen uit de stad. Een wedstrijd. Ik was er wel eens bij geweest, als toeschouwer, zittend op de trappen van het gemeentehuis. Maar nu mocht ik mijn school vertegenwoordigen met een gitaarstukje van Fernando Sor en een eigen pianocompositie. Het optreden in de aula van school om de finale te halen vond ik al een geweldige ervaring, maar nu wachtte een afgeladen stadsschouwburg. Ik won. Het moment staat me nog goed voor de geest, de zenuwen vooraf, het optreden, het applaus na afloop, als een warme douche. Daar moet de basis zijn gelegd voor wat ik de rest van mijn leven heb gedaan. Optreden, spelen, schrijven, presenteren, uitzenden. Werken voor publiek. Of dat nou als muzikant was, als programmamaker voor de omroep, of als schrijver. In essentie draait het allemaal om hetzelfde. De Januskop heeft me het zelfvertrouwen gegeven om naar buiten te treden. Achteraf gezien is dat mijn redding geweest. Ik was niet goed in sport, was bang en verlegen, had geen grote bek. Ik was een schijterd en een mietje. Grote kans dat je dan ten onder gaat op een school met achttienhonderd jongens, waar het gistte, kolkte en borrelde van de hormonen. Een kilometer verderop zaten zo’n achttienhonderd meisjes. Twee gescheiden werelden. De derde middelbare school was vlakbij en gemengd, maar telde niet mee, want dat waren de protestanten, de vijanden. Ik ontmoette hen tijdens de Januskop en beschouwde ze als een soort marsmannetjes. Het klinkt onbegrijpelijk en volstrekt overdreven, maar zo was het. Alsof de jaren zestig aan Limburg voorbij waren gegaan. Of misschien lag het wel aan mij, opgegroeid in een cocon waar de kerk nog de dienst uit maakte.

Dat veranderde. Alles veranderde. Met dank aan een paar klasgenoten die eerder dan ik het licht zagen. Muziek – popmuziek – sigaretten, alcohol, spacecake, joints, pilletjes en andere drugs die in Heerlen te krijgen waren of die iemand uit Amsterdam meebracht en… meisjes. Waren er opeens minder paters op school? Werden de teugels losgelaten? Op zaterdagavond was er een trefcentrum waar jongens en meisjes met elkaar mochten dansen. Onder toeziend oog van paters, zusters en andere docenten. Dat wel. Na wat aftasten en een paar biertjes vormden zich alras de eerste stelletjes. Vervolgens was het op naar de fietsenstalling, of naar het park. De sfeer werd losser, vrijer. Ik herinner me moderne docenten die ons aanmoedigden om moderne boeken te lezen. Ondeugende boeken, politieke boeken. We kregen een mening. Eindelijk. Het leven lonkte. Een piepjonge geschiedenislerares nodigde ons bij haar thuis uit om te discussiëren en te roken en te drinken. Zelfs de kerk leek ontketend. Op initiatief van een pater werd er een gemengd koor opgericht en waren er beatmissen. Ik schreef er muziek voor. Met veel drumsolo’s. De repetities vonden in de kapel van de school plaats. De kelder onder het klooster werd als kroeg ingericht. School werd steeds leuker. De schoolprestaties kwamen als vanzelf. In ieder geval herinner ik me geen gezwoeg. Er waren vrienden en vriendinnen en vooral veel muziek.

Ik speelde nog steeds gitaar, maar nu zong ik erbij. Eigen liedjes in de stijl van Boudewijn de Groot. Voor de Januskop mocht ik alweer winnen. Maar het hoogtepunt dat jaar was de groep die we speciaal voor de finale samenstelden. Twee beeldschone zangeressen, twee gitaristen, een bassist en een fluitist. We zagen eruit als hippies. Zes leerlingen van de drie verschillende scholen. Katholiek en protestant, jongens en meisjes. Het einde van de verzuiling. We kregen extra vrij om te repeteren in de aula van de school. We voelden ons als godenkinderen, geprivilegieerd. Een laatste optreden, als groet aan de jeugd, daarna zouden we de school verlaten en de grote mensenwereld in stappen. Groningen, Amsterdam, Parijs. Zo is alles, na een onzekere aanloop, uiteindelijk toch nog goed gekomen. Meer dan goed.