Boek in de boom

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 26-06-2011

Vanochtend vloog mijn boek de boom in. Nee, dit is niet de eerste zin van een roman en ook geen sprookje. Het zit zo. We hebben twee computers. Mijn vrouw heeft een laptop – met internet – die in de woonkeuken staat. Mijn computer staat in mijn werkkamer op de eerste verdieping en heeft geen internet, omdat ik tijdens het schrijven al genoeg word afgeleid.

’s Ochtends ben ik er meestal als eerste uit. Koffie zetten, ommetje met de hond en katten, en daarna het internet op voor de kranten en de post. Vaak neem ik van boven een usb-stick mee met een kopie van het boek waaraan ik werk om, na een tweede kop koffie, alvast te beginnen met schrijven. En zo ging het vanochtend ook. De beesten hadden hun wandelingetje gehad, ik scande de kranten, beantwoordde de mail en mijn tweede kopje was leeg. Toen ik een nieuwe had ingeschonken en verder wilde gaan met mijn boek, zag ik dat de usb-stick die ik op tafel naast de laptop had gelegd was verdwenen. Door het raam zag ik hoe drie katten vrolijk achter elkaar aan de notenboom in klommen. Mét de usb-stick. Eigen schuld. Ik had al eerder gemerkt dat het touwtje aan de usb-stick een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefende op de katten. Maar nu stond de keukendeur open. Zomer. De smiechten, die mijn dagelijkse routine van haver tot gort kennen, hadden gewacht tot ik mijn derde kopje ging halen om vervolgens toe te slaan.

Ik rende naar de voet van de boom en begon hun namen te roepen. Verontwaardigd, streng, zo van wie-is-hier-de-baas, maar allengs vriendelijker, op het slijmerige af, om te eindigen op de toon van een oude vieze man die een klein kind met snoepjes lokt. ‘Spook-je… Spook-je…’ Natuurlijk was Spook de boosdoener. Met de usb-stick in haar bek klom ze steeds hoger de boom in. ‘Spook-je…’ Terwijl ze me af en toe een triomfantelijke blik toewierp, klom ze tot in de kruin waar de takken zo vervaarlijk heen en weer zwiepten dat de twee andere katten hun achtervolging hadden gestaakt. ‘Spook-je…’ Ik bleef het vriendelijke toontje stug volhouden. Goddank was het nog vroeg. Niemand die me hoorde. Hoopte ik. Onze Franse buren vinden onze omgang met katten op z’n zachtst gezegd bizar. Het feit dat we met beesten praten, ze proberen op te voeden zodat ze niets doen wat wij niet willen, nooit op tafel of het aanrecht springen. Nooit! Toeval, volgens de buren, dom geluk. Een kat is een wild dier, eigenwijs en onopvoedbaar. Vanochtend moest ik hen gelijk geven en mocht ik blij zijn dat ze niet schuddebuikend over de haag hingen om mijn hopeloze pogingen gade te slaan. Want het was hopeloos. Wat ik ook deed, Spook – normaal de best opgevoede kat van Frankrijk – luisterde voor geen meter en slingerde met het touwtje van de usb-stick alsof het een muis was. ‘Spook!’ Ik had mijn toon aangepast, dreigend, zo van als-je-nu-niet-komt-dan-zwaait-er-wat. Tot mijn intense voldoening volgde de reactie prompt. Spook draaide sierlijk een halve pirouette en zette behoedzaam de afdaling in. Ik wilde haar al uitbundig prijzen toen ik zag dat ze de usb-stick, bungelend aan de hoogste tak van de notenboom, had achtergelaten. ‘Spook, terug!’ Maar ze was al beneden, kopjes gevend en tevreden geluidjes makend, trots, kijk eens wie hier is, absoluut niet van plan om nog een keer naar die hoge tak terug te gaan. Levensgevaarlijk. Baas kon de boom in.

Dat was vanochtend. De enige die zich druk maakt om het touwtje in de boom ben ik. Zeker wanneer ik bedenk wat er allemaal op de stick staat. Een back-up van alle foto’s, waaronder een hoop kiekjes die voor niemand anders bedoeld zijn dan voor onszelf, facturen waar de belastingdienst geen weet van heeft, correspondentie die niemand iets aangaat. Stel dat de usb-stick op een brocante belandt en in handen van Nederlandse toeristen komt. Wat dan? Mijn vrouw vindt dat ik me niet zo moet aanstellen, maar ik denk aan de korte verhalen die – terecht – nog niet zijn gepubliceerd, aan het filmscenario waar nog een hoop aan gesleuteld moet worden, maar vooral aan mijn laatste boek, dat wil zeggen: het boek waar ik nog aan werk. Een document van vijftigduizend woorden vol tik- en spelfouten, kromme zinnen waar iemand die Nederlands heeft gestudeerd zich diep voor zou moeten schamen, veel te lange landschapsbeschrij-vingen die nog drastisch moeten worden ingekort, personages die nog niet af zijn en waarvan een deel de volgende correctieronde waarschijnlijk niet eens gaat overleven. Een werk in statu nascendi. For my eyes onely. Pijnlijk. Wat nu? Wachten op de eerste najaarsstorm? De notenboom omhakken?

‘Spook!’