Embargo

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 05-06-2013

Het was maandag. Een uur of twee. Ik zat druk te schrijven aan mijn nieuwe boek, toen de telefoon ging. Ilonka, mijn uitgever. Aan haar ademhaling hoorde ik dat er iets was. Ik heb toch zo’n goed nieuws, riep ze. Drie keer raden. Ik was met mijn gedachten nog bij mijn boek en niet in staat iets te bedenken. ‘Nacht in Parijs’ staat op de shortlist van de Gouden Strop, ging ze verder. Te gek hè? Ja, stamelde ik, te gek, fantastisch eh…nooit gedacht. Ik voelde me overrompeld. Prettig overrompeld. We zijn net gebeld door de CPNB, zei ze. Op het nieuws zit een embargo tot donderdag 11 uur. Dan komt de CPNB met een persbericht. Dus eh… Mondje dicht, maakte ik de zin af. Bij de omroep heb ik vaak genoeg met embargo’s te maken gehad. Je krijgt het nieuws een paar dagen eerder, zodat je je kunt voorbereiden. In ruil daarvoor houd je je mond. Zo hoort het. Wie zijn mond voorbij praat ligt eruit. Zo zijn de regels.
Of ik de 30e mei vrij wilde houden, vroeg Ilonka. Voor de prijsuitreiking in Amsterdam. Natuurlijk, stamelde ik terug. Weet je wie de andere auteurs op de shortlist zijn? Nee, dat wist ze niet. De CPNB had niet meer verteld dan strikt noodzakelijk, daarmee de kans op uitlekken zo gering mogelijk houdend.
We filosofeerden nog wat over de shortlist, of ik een kans had – ik vond van niet, alhoewel, als je al zo ver komt, is er altijd een kans – wie er nog meer op de shortlist zouden kunnen staan en hoeveel kans die dan zouden hebben. Toen ik na een minuut of tien oplegde, voelde ik me nog net zo overrompeld als tien minuten eerder.
Te gek. De shortlist. Ik holde de trap af om mijn vrouw het goede nieuws te vertellen. We openden een flesje en toostten. Ik waarschuwde haar dat ze het nieuws aan niemand mocht vertellen. Embargo. Mondje dicht. Ze beloofde te zwijgen als het graf.
Toen de fles leeg was, was het een uur of drie. Ik begon te rekenen. Tot donderdag 11 uur waren het bijna drie dagen. 68 uur. Zolang moest ik mijn mond houden. Ik herinnerde me hoe lang ik als kind een geheim kon bewaren. Een halfuur. Hoogstens. Dan plaste ik in mijn broek. Van opwinding. Want dat was het. Pure opwinding, alsof iedereen aan je gezicht ziet dat er iets is, maar je mag het niet zeggen. 68 uur. Mijn god. Ik ging terug naar mijn werkkamer. Niet aanstellen. Gewoon verder werken aan een nieuw boek. Maar met mijn hoofd was ik ergens anders. Embargo, embargo, embargo. De verleiding om iemand te bellen en het van de daken te schreeuwen was groot. Maar nee. Een man, een man. Een woord, een woord. Ik moest zorgen voor afleiding. De moestuin omspitten. Als het niet zo regende, zou ik het doen.
Het werd dinsdag. Een prima dag om het nieuws onder de pet te houden. Afleiding genoeg. De inhuldiging van Willem Alexander, ‘s avonds champions league. Ik kon de hele dag voor de buis liggen. En tussendoor tikken. Een shortlist is fantastisch, maar er moet natuurlijk ook weer een nieuw boek geschreven worden. Dus ging ik weer naar mijn werkkamer. De neiging om de telefoon te pakken bleef levensgroot aanwezig. Wie zou ik bellen? Wie was mijn beste vriend of vriendin? Ik ga je iets vertellen, maar je moet me beloven dat je het aan niemand verder vertelt. Nee, zelfs je beste vrienden moet je niet opzadelen met een embargo. Daarmee verplaats je alleen maar het probleem. Niet doen dus. In plaats van te bellen ging ik het internet op. Twitter, facebook. Iedereen had wel een nieuwtje in de aanbieding. Een mooie recensie, een herdruk, een signeersessie. Geweldig nieuws. Wat me nou toch is overkomen. Ben zo blij. Mijn vingers jeukten. Ik herinnerde me berichtjes in de trant van Ik heb toch zo’n leuk nieuws, maar ik mag het jullie nog niet vertellen. Was dat de oplossing? Nee. Aanstellerij. Ik moest gewoon een vent zijn en geduld hebben.
Het werd woensdag. Ik kreeg een lieve mail van een lieve vriendin die om antwoord vroeg. Ik schreef een briefje terug en drukte snel op ‘verzenden’ voor ik ook maar iets over de shortlist zou kunnen opschrijven. Daarna probeerde ik me weer op mijn nieuwe boek te concentreren. Het lukte niet. Embargo, embargo, embargo. ’s Avonds speelde Barcelona tegen Bayern München. Als ik het tot die tijd volhield, was de klus geklaard. Ik besloot een lange wandeling met de hond te maken. Door de bossen. Om niemand tegen te komen. Ook geen Fransen. De tam-tam op het Franse platteland valt niet te onderschatten. Iedereen kent iedereen. In de buurt bevinden zich chambre d’hôtes en campings met Nederlandse eigenaren. Iedereen zit op twitter of op facebook. Ik begreep opeens hoe een journalist in Nederland het embargo kon schenden. Op iedere hoek een café, je drinkt wat en nog wat, je begint met iemand een gesprekje en voor je het weet praat je je mond voorbij. Nee, dan kon ik maar beter met de hond door de bossen struinen.
Aan het eind van de middag was ik weer thuis. En toen ging de telefoon. Mijn moeder. We bespraken het weer en de gezondheid en toen: nog nieuws?
Als mijn moeder die vraag stelt, bedoelt ze of er nog nieuws van het boekenfront is. Ze is apetrots dat haar zoon boeken schrijft. Ze heeft het altijd over beroemde schrijvers die ze op de televisie heeft gezien en hoeveel honderdduizend boeken die wel niet hebben verkocht. Ze kijkt naar alle uitreikingen van literatuurprijzen op televisie. Ze kent de namen van alle genomineerden en weet me te vertellen hoe lang die wel niet met hun manuscripten hebben lopen rondzeulen voor ze een uitgever vonden. En nu worden hun boeken verfilmd en stroomt het geld met bakken binnen. Kortom: ze hoopt vurig op de doorbraak van haar schrijvende zoon.
Nog nieuws?
Eh… Ik kon mijn tong er wel afbijten. Natuurlijk had ik haar verteld dat ‘Nacht in Parijs’ op de longlist stond en dat eind april, begin mei bekend zou worden gemaakt welke boeken doorgingen. Nee, zei ik, geen nieuws.
Nog iets van de Gouden Strop gehoord?
Nee, nog niet.
Ik kon het haar onmogelijk vertellen. Binnen een uur zouden de buren het weten, vervolgens de bridgeclub, daarna lag het nieuws op straat. Te opgewonden, te trots. Mijn zoon op de shortlist. Dus hield ik mijn kaken stijf op elkaar. We namen afscheid aan de telefoon. Nog een dag, dacht ik. Dan was dat ellendige embargo eindelijk afgelopen. Morgen. Donderdag, 11 uur.
Tot ziens, jongen.
Tot ziens, ma. Ik bel je morgen, flapte ik eruit.
Morgen? Ik hoorde mijn moeder van verbazing van haar stoel vallen. We bellen elkaar hoogstens een, twee keer in de week. Wat is er morgen? vroeg ze.
Eh… dat vertel ik je morgen wel, zei ik en drukte snel het gesprek weg. Oeps. Ik legde de hoorn naast de haak. Bezettoon. Tot donderdag 11 uur. Embargo, embargo, embargo.