Gevloerd

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 13-12-2011

Laat je zien en geniet, ook als je verliest. Dat was het advies dat een goede vriendin mij meegaf op weg naar Antwerpen waar ik genomineerd was voor De Diamanten Kogel 2011. Wat betreft het genieten zat het vanaf de eerste minuut snor. De organisatie had een buitengewoon elegant programma bedacht waarbij iedere genomineerde als een winnaar werd behandeld. Om vier uur vond de ontvangst plaats in een café vlak bij het stadhuis. Er moesten boeken worden gesigneerd voor de sponsoren. Een sneltekenaar maakte van iedereen een portret dat later, ingelijst en wel, zou worden uitgereikt. Er waren drankjes en ondertussen maakte iedereen met iedereen kennis. Om zes uur verhuisden we naar het stadhuis, naar de trouwzaal, waar we luisterden naar ronkende toespraken van prominente Vlamingen en waar alle genomineerden (zie foto), een voor een, in het zonnetje werden gezet. Behalve het portret kreeg iedereen twee tassen vol boeken. Natuurlijk kon er maar één de echte winnaar zijn. Elvin Post (nogmaals proficiat!) ontving een kostbaar kunstwerk en werd bedolven onder het flitslicht van de fotografen. Daarna was er in een andere fraaie zaal van het stadhuis champagne, waarna de organisatie tachtig personen ook nog een diner aanbood. Ik zou zeggen: laat het organiseren van literaire prijzen maar aan de Vlamingen over.
Tegen middernacht had bijna iedereen het restaurant verlaten en bleven we met een groepje achter. Ik had een hotel in de stad genomen en zag geen enkele aanleiding om vroeg naar bed te gaan. En zo trokken we Antwerpen in, om uiteindelijk, in een nog kleiner gezelschap, in café Palliter te belanden. Op de vensterbank zat een man die in slaap was gesukkeld en de tassen die ik die avond meesleepte, langzaam dreigde te pletten. Ik schrijf dit om duidelijk te maken dat er met mijn waarnemingsvermogen niks mis was en ik alles om me heen haarfijn registreerde. Toen ik bang was dat hij de lijst van het portret zou breken, schoot een van mijn metgezellen te hulp en gebaarde de man dat hij beter op de grond kon gaan zitten om daar verder te slapen. En zo geschiedde, waarna wij drieën (de onvermoeibare juryvoorzitter, een jurylid, en ik) nog een glas bestelden. Op de klok zag ik dat het tegen drieën liep. Ik voelde me uitstekend. Hiervoor was ik van Frankrijk naar Antwerpen gereisd, om oude vrienden en bekenden te treffen en nieuwe mensen te leren kennen. We toastten. Na dit glas was het mooi geweest en ging ik mijn hotel opzoeken, nam ik me voor. Kan iemand misschien een taxi bellen, vroeg ik. Een paar seconden later voelde ik het bloed uit mijn gezicht wegtrekken en voelde ik niets meer, behalve een prettig soort lichtheid. Even later vond ik mezelf terug, zittend op de granitovloer van het café. Hij bloedt. Kijk dan. Zijn hoofd ligt open. Er moet een ambulance komen. Langzaam drong het tot me door dat ik het onderwerp van de paniek was. Flauw gevallen, black-out, in ieder geval was het behoorlijk gênant. Voor de eerste keer in mijn leven genomineerd voor een prijs en meteen plat gaan. Na jaren op het Franse platteland braaf achter de computer te hebben gezeten was ik kennelijk niets meer gewend. Voor ik het in de gaten had werd ik door een ambulancemedewerker overeind geholpen en naar een klaarstaande ziekenauto gebracht. Mijn tassen, riep ik nog, en het portret. Het jurylid bracht alles naar de ambulance. De juryvoorzitter keek vooral zorgelijk. Ik zat op een brancard en staarde naar buiten. Ik wilde nog iets vrolijks roepen. Tot volgend jaar. Of: Ik kom terug. Eerlijk gezegd vond ik de situatie vooral pijnlijk en dus mompelde ik iets van ‘sorry’. De achterdeur van de ambulance werd dichtgegooid. Op de eerste hulp boog een arts zich over de hoofdwond en bracht de hechtingen aan. Een uurtje later mocht ik mijn hotel opzoeken. Terwijl ik dit een week later schrijf duizelt het nog een beetje. Gevloerd in Antwerpen. Laat je zien en geniet. Zo letterlijk hoefde het nou ook weer niet.