Gras

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 09-07-2011

Gras groeit. Maar bij ons groeit het harder dan waar dan ook ter wereld. Dit voorjaar leek alles even anders. Acht weken droogte en zon hadden voor een geelbruine grasmat gezorgd die niet meer groeide. Daarna begon het gedonder weer. Maaien, maaien, maaien. Onze tuin is veel te groot, klaagde ik tegen mijn vrouw. Ho, riep ze glimlachend. Het is niet onze tuin, maar jouw tuin. Ik zweeg. Ze had gelijk. Zoals zo vaak. Vroeger, toen we de boerderij als vakantiewoning gebruikten, lag er een weiland dat de boer twee keer jaar maaide en waar wij geen omkijken naar hadden. Omdat we niet alleen maar hoog gras wilden zien, lieten we achter het huis een weggetje aanleggen en probeerden van het stuk tot het huis een tuin te maken. Floxen, rozen, kerria, hibiscus, fluweelboompjes en heel veel bodembedekkers. Vakanties bestonden voornamelijk uit wieden en distels uitrukken om de tere aanplant te verdedigen tegen het oprukkende weiland. Wanneer we na drie weken vertrokken zag het er picobello uit, waarna de natuur weer haar gang mocht gaan.
Toen we Nederland verruilden voor onze Franse boerderij, veranderde de situatie. We hadden een moestuin nodig, een stuk gras waar de beesten konden rennen en waar wij onze ligbedden konden neerzetten, en een gedeelte waar we fruitbomen konden planten en waar je om te oogsten je geen weg hoefde te banen door hoog gras vol teken en slangen. Mijn vrouw zou zich om de moestuin bekommeren op voorwaarde dat ik de rest van het terrein voor mijn rekening nam. Dat was de afspraak. En zo veranderde het weiland beetje bij beetje in tuin. Eerst duizend vierkante meter, toen tweeduizend. De rest lieten we mooi over aan de boer. Maar het feit dat de man geld vroeg terwijl hij beladen met hooi het terrein verliet en na iedere maaibeurt ook nog eens een onze halve whiskyvoorraad opdronk begon steeds meer te irriteren. Kunnen we het terrein niet zelf onderhouden? vroeg mijn vrouw. Ik bedoel: zou jij dat er nog bij kunnen hebben? Natuurlijk, antwoordde ik, inwendig juichend. Een tuin. Ik heb altijd een grote tuin willen hebben. Het liefst een park. Diep in mijn hart ben ik namelijk een enorme bourgeois. Dat krijg je als je in een familie met een dubbele achternaam zonder geld wordt geboren. Ik zag het al helemaal voor me. Een park met lanen en bankjes en beelden en een vijver met een fontein. Maar denkend aan mijn laatste fontein in Nederland (een ingegraven metselbak met water en een pompje die mijn vrouw voortdurend moest schoonmaken omdat ik te beroerd was om iedere week het pompje te ontstoppen) hield ik wijselijk mijn mond over mijn parkfantasieën.
En zo maakten wij, zittend op het terras, een masterplan voor onze ‘tuin’. Er zou een strook komen die het hoge grasland doorsneed waardoor we toch uitzicht hielden over het dal. De stukken links en rechts van de strook zouden we laten verwilderen. Zo werd besloten. Voor mijn verjaardag mocht ik een maaimachine uitzoeken. Mijn vrouw stelde een kleine tractor voor, wat ik resoluut van de hand wees, omdat in ons dorp alle mannen met dikke buiken op kleine tractortjes door hun tuin rijden. Ik kocht een sportieve motormaaimachine waar je zelf achteraan moet lopen, met regelbaar tempo tot max 10 km. p.u. (de zgn. joggingstand), en een snijdblad van maar liefst 46 centimeter. We zegden de boer af, die ons aankeek alsof we gek waren. De volgende dag vocht ik mij gewapend met een motorzeis een weg door de jungle. Hoe breed moet een strook zijn? Mijn vrouw vond een meter of acht al heel mooi. Ik smokkelde er met de motorzeis nog een paar meters bij. Wat je wilt, zei ze glimlachend. Jij moet het onderhouden. Daarna nam ik iedere maaibeurt te baat om er steeds een stukje jungle van af te snoepen. Twintig centimeter hier, twintig centimeter daar, hoekjes, bochtjes, hopend dat mijn vrouw het niet in de gaten had. Midden in de rimboe maakte ik stukken vrij waar bomen en struiken werden geplant die je weliswaar nu nog niet zag, maar die later de pronkstukken van het park zouden worden. Natuurlijk zag ze het. Het is jouw tuin, zei ze glimlachend. Bedenk goed hoeveel werk je je op de nek neemt. Ook jij wordt een dagje ouder. Wil je echt geen tractortje? Nee, zei ik, terwijl ik op een beginnend buikje klopte. Natuurlijk niet.
Na drie jaar maaien was er een soort golfbaanachtige tuin ontstaan met hele brede stroken en nog twee stukjes wildernis waar ondanks alle aanplant het gras nog steeds anderhalve meter hoog werd. Afgelopen winter kon ik me niet langer bedwingen. Met een oude verroeste zeis haalde ik het laatste hoge gras en berenklauw weg en plantte de boel vol met boompjes en struikjes waartussen ik ruimte liet voor paadjes. Weet je het zeker? vroeg mijn vrouw bezorgd. Straks heb je geen tijd meer om te schrijven en loop je alleen maar te maaien. Die twee stukjes kan ik er nog makkelijk bij hebben, antwoordde ik. Bovendien is het goed als ik niet de hele dag achter mijn bureau zit. En zo onderhoud ik het park, beter gezegd: het park in wording. Door de droogte van het voorjaar heeft de meeste aanplant het loodje gelegd. Op al die plekken groeit al weer gras. Als een gek. Een park. Wie droomt moet lijden. En niet klagen.