Het bankje

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 10-04-2018

Het bankje

 

(column geschreven voor Plekje Parkstad, een avond waarop 10 auteurs uit de Parkstad in het kader van de boekenweek 2018 een ode brangen aan de natuur)

 

 

Het thema van de boekenweek dit jaar is natuur. Het brengt me op mijn eerste natuurervaring. Ik ben geboren in Heerlen. In 1956. De naam Parkstad bestond nog niet. Heerlen en omgeving heetten de Oostelijke Mijnstreek. En zo zag het er ook uit. Een zwarte stad. De mijnen in vol bedrijf. Ik herinner me de Oranje Nassau 1. De muur van zwart beroete betonplaten waarachter de gebouwen schuilgingen. De schachttoren met het wiel dat altijd draaide. De schoorstenen – de lange Jan en de lange Lies – die dag en nacht vuile lucht uitbraakten. Boven de stad hing een deken waar de zon nauwelijks doorheen prikte. Maar niemand klaagde. De mijnen zorgden voor welvaart. Heerlen was een rijke stad. Geen lege winkelpanden. De mensen hadden het goed. De enige die klaagde was mijn moeder. Mijn moeder had een poetsfiemel. Tot haar grote frustratie zaten de kozijnen die ze iedere dag dapper boende de volgende dag weer onder een verse laag roet.

Een zwarte stad met weinig groen. Dat was Heerlen. Ik woonde op de Bekkerweg. Tegenover ons huis lag het Bekkerveld. Twee grote grasvelden doorsneden door een klinkerpad. Op het rechter grasveld voetbalde ik met  vriendjes die allemaal veel beter voetbalden dan ik.

Het Bekkerveld was groen. Net zoals het Tempsplein. In mijn herinnering was het een groot plein, wat ongetwijfeld kwam door het reusachtige jezusbeeld dat het plein domineerde. Op het Tempsplein stonden bomen die vroeg in het jaar bloeiden. Ik herinner me het fluiten van vogels, alsof de geluiden van de stad niet wisten door te dringen tot het plein.

En dan was er nog het Aambos. Aan de rand van het centrum. Het Aambos was iets tussen een bos en een park. Steile hellingen met wilde struiken en bomen, maar ook aangeharkte perken en paden en een glooiend stuk gras met daaromheen bankjes, rododendrons en andere bloeiende planten.

Mijn moeder nam me vaak mee naar het park. Om te wandelen over de paadjes, langs de beek, om tot slot het meegenomen oude brood te voeren aan de herten. In mijn eentje mocht ik onder geen beding naar het Aambos. Veel te gevaarlijk. Ik herinner me verhalen over slechte mannen die kinderen lokten met snoepjes. Wat ze daarna met die kinderen deden bleef onduidelijk. Maar goed was het niet.

Ik ging dus niet naar Aambos. Alleen in de winter wanneer er sneeuw lag en je met je slee de heuvel af kon sjezen. Als je niet op tijd stil stond belandde je in de beek. Verder speelde ik op het Bekkerveld en aan de andere kant van het veld, in de tuinen achter de flats waar ik met vriendjes verstoppertje speelde of waar we, verborgen achter de struiken, met pvc-buizen witte besjes schoten op niets vermoedende voorbijgangers.

In 1968 was de tijd van spelen voorbij. Ik was twaalf en ging naar het Bernardinuscollege. Een jongensschool. Want – voor de jongeren onder ons – in die jaren werden in het katholieke Heerlen de jongens en meisjes nog angstvallig van elkaar gescheiden. Het Bernardinuscollege lag vlak bij het Aambos. Met mooi weer nam de muziekleraar, van wie ik me met de beste wil van de wereld niet meer de naam kan heugen, ons mee naar het park. We moesten in een halve kring op het grasveld gaan staan, vlakbij de beek, en daarna moesten we zingen. Duitse liedjes waarin de natuur en het wandelen werd verheerlijkt. Ik vond het maar niks. Noch de liedjes, noch het feit dat we daar zo voor lul stonden.

Na die zanglessen kan ik me niet herinneren dat ik ooit nog een voet in het Aambos zette. Ik kwam sowieso weinig buiten. Ik was zo’n leerling die iedere dag braaf zijn huiswerk maakte. In mijn vrije tijd speelde ik klassiek gitaar. En dat deed ik behoorlijk fanatiek, want ik wilde naar het conservatorium.

En toen werd ik vijftien. Omdat ik zo mooi gitaar speelde mocht ik bij wijze van grote uitzondering meedoen met de musical van het Coriovallumcollege, de meisjesschool. Mijn taak was het om een meisje dat zong te begeleiden. Ze was beeldschoon. Natuurlijk werd ik prompt verliefd op haar. Mijn eerste verliefdheid. Ik wist niet wat me overkwam. In plaats van huiswerk te maken stond ik uren lang door het dakraam naar buiten te staren, in de hoop dat ze langs zou fietsen en op zou kijken naar mijn raam. Wat niet gebeurde. Ze was twee jaar ouder dan ik. Ik was kansloos.  Volstrekt kansloos.

Een jaar later gebeurde het dan toch. Ik was inmiddels lid geworden van een gemengd koor. In plaats van suffe klassieke gitaarstukken te spelen zong ik zelf gemaakte liedjes. Dat scheelde een slok op een borrel. Meisjes keken opeens naar me. Eentje zelfs met meer dan gemiddelde belangstelling. Ze had lang blond haar. Ik vond haar leuk. En zij mij. En zo werden we een stelletje.

Niet dat we veel deden. We waren bleu. Een tongzoen, hand in hand lopen, veel meer gebeurde er niet. En veel kans kregen we ook niet. Bezoekjes over en weer werden altijd scherp in de gaten gehouden door onze ouders. Als er al iets zou gebeuren, dan moest dat buiten de deur.

Op het Bernardinuscollege was iedere zaterdagavond het TBC, het trefcentrum Bernardinus College. Een dansavond in de kantine onder het Gymnasium voor jongens en meisjes van klas 4, 5 en 6 van het Bernardinus en het Corriovallumcollege. Bij de ingang stond een pater. Na betaling kreeg je een stempel op je hand en mocht je verder. De kantine stond blauw van de rook. Sigarettenrook. Wiet of andere melanges waren verboden. Het bier kostte 50 cent. Op de dansvloer verdrongen zich de stelletjes. Er werd vaak wild gedanst, maar soms draaide de diskjockey een langzame plaat en dan werd er geschuifeld, waarbij de paters scherp toekeken of het er niet te handtastelijk aan toeging. Lang zoenen was niet toegestaan. Donkere hoekjes om je terug te trekken waren er niet. En als ze er waren, dan dook er opeens een pater op.

Geen kans dus. Die winter brachten we de zaterdagavonden schuifelend op de dansvloer door. Maar toen werd het zomer. Ik had verhalen gehoord over jongens en meisjes die naar het Aambos gingen om ‘het te doen’. Wat ze precies deden weet ik niet. Maar iets zei me dat ik ook naar het bos moest. Dus trok ik op een avond mijn stoute schoenen aan en stelde voor om naar het Aambos te gaan. Mijn vriendinnetje kreeg een rood hoofd. Daarna knikte ze ten teken dat ze het goed vond. Maar eerst gingen we naar het Trefcentrum, als alibi. We lieten de pater een stempel op onze hand zetten, wachtten tot het een uur of tien was en knepen er tussenuit. Stuiterend van de hormonen ijlden we naar het Aambos.

Eenmaal daar aangekomen bleken alle bankjes bezet. Na lang zoeken vonden we er nog eentje. Ergens achteraf, ver weg, in het donker. Nu ging het gebeuren. We namen plaats op de bank. Na wat zoenen schoof ik voorzichtig mijn hand onder haar bloesjes. Met bonkend hart begon ik aan haar bh te pulken. Onhandig. Maar op de een of andere manier slaagde ik erin het haakje los te maken. Er verschenen twee meisjesborsten. Trillend van de zenuwen legde ik er mijn hand op en voelde twee grote, harde tepels. Het vlees daaromheen was warm en zacht en smaakte naar meer. In mijn hoofd werd het plotseling heel licht. Ik zal het gevoel nooit vergeten. Alsof de natuur na een lange winterslaap eindelijk wakker was geworden. Daar in het donker, op een bankje in het Aambos.