Max

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 17-04-2014

Sommige beesten veranderen mensenlevens.
Max veranderde mijn leven.
1992. Werelddierendag. Typisch zo’n dag om een bezoekje te brengen aan het dierenasiel. Alleen om te kijken, zeiden mijn vrouw en ik tegen elkaar. Onze oude hond was pas een halfjaar dood. We waren nog niet toe aan een nieuwe. Een leven zonder hond had ook z’n voordelen. Maar de boodschappen waren gedaan, het was mooi weer, dus reden we naar Crailoo.
Zodra we bij het asiel parkeerden, sloegen alle honden tegelijk aan. Potentiële baasjes, nieuwe kansen. Onder luid geblaf en gehuil liepen we langs de kennels en buitenverblijven waar meer dan zeventig honden om onze aandacht vochten. Onze blik viel onmiddellijk op Max, die toen nog Zeba heette. Omdat hij de enige hond was die niet tegen het hek aan sprong en niet blafte. In plaats daarvan zat hij rustig te midden van de druktemakers en hield, zogenaamd niet geïnteresseerd, de omgeving in de gaten.
Nadat we nog een rondje hadden gemaakt, knikten we elkaar toe. Dit was hem. Max. Omdat ik altijd al een hond wilde hebben die Max heette, mocht ik de naam bepalen. Daarna sloeg bij mij de twijfel toe. Deze hond was misschien een tikkeltje te groot. Een kilo of vijftig, zestig. Ik dacht aan onze veel te kleine woning, maar het was een mooie hond. Kortharig, een bruine vacht met een witte bles, hangende oren, een stevige staart, een glimmend zwarte snuit en twee intelligente bruine kijkers.
De asielmedewerkster stelde een wandelingetje voor. Om te proberen. Max gedroeg zich voorbeeldig. Zonder trekken of blaffen liepen we over de hei. Met iedere meter werd mijn vrouw enthousiaster. In tegenstelling tot mij. Buiten leek Max nog groter dan in zijn kooi. Ik ontdekte spierbundels die me nog niet eerder waren opgevallen. Wanneer we andere honden passeerden, zag ik Max’ nekharen vervaarlijk overeind komen. Wat was het eigenlijk voor ras? Volgens de medewerkster was Max een bastaard. Gezien zijn lange snuit zat er hoogstwaarschijnlijk iets van een dobermann in. Waren dat geen agressieve honden? Hoeveel dobermann school er in Max? Terwijl ik koortsachtig naar argumenten zocht waarom het misschien toch niet de juiste hond was, had mijn vrouw de knoop al doorgehakt. Ook de informatie bij de balie bracht daar geen verandering in. Zeba was een zwerfhond, vertelde de asielmedewerkster met een ernstig gezicht. Hij was door twee dames in huis genomen, had daar ‘s nachts de boel verbouwd, waarna hij de volgende dag in het asiel was afgegeven. Niet bepaald een hond die ze kon aanbevelen. ‘Weet u het wel zeker?’ vroeg ze.
‘Heel zeker,’ antwoordde mijn vrouw.
En zo namen we Max mee naar huis. Omdat het halletje achter de voordeur te klein was, lieten we hem binnen via de keukendeur. Hij maakte een rondje door de woonkamer en tilde vervolgens zijn achterpoot op.
‘Max!’
Voor hij tegen de kast kon pissen, greep mijn vrouw hem hardhandig bij zijn nekvel. Max gaf geen kik, alleen een knikje, alsof hij de boodschap had begrepen. Daarna nam hij plaats op onze enige designfauteuil (een Italiaans wit wollen monster waar we allang vanaf wilden) en keek ons aan alsof hij wilde zeggen: vanaf nu is dit mijn plek. Met zicht op de baasjes op de bank, de voortuin en de straat, en de televisie.
Max bleek een groot televisieliefhebber. Vooral het programma Dierenmanieren dat die avond op de buis was kon rekenen op zijn onverdeelde aandacht. Honden, beweging, de stem van Martin Gaus. Als gebiologeerd staarde Max de hele uitzending naar het scherm.
Tegen elven maakten we een ommetje. Max veiligheidshalve aan de lijn. Hij deed een plas en legde een drol. Brave hond.
En toen was het tijd om naar bed te gaan.
Bang dat de boel beneden zou worden verbouwd, durfde ik geen oog dicht te doen. ‘Ga nou maar slapen,’ zei mijn vrouw. Zoals meestal had ze gelijk. De volgende ochtend was het interieur nog intact. Vanuit zijn fauteuil keek Max me tevreden aan.
Thuis was Max een schat. Zonder iets om te gooien verplaatste hij zich door het huis. Koekjes of chips op de salontafel, etensresten op het aanrecht bleven onaangeroerd. Max was voorzichtig met kleine kinderen, lief met katten, kortom: de ideale hond.
Dachten we.
Buiten was een ander verhaal.
Zodra hij grote reu in het vizier kreeg, was het of er in zijn kop een knop werd omgezet. Max moest er op af, al was het naar de andere kant van de hei. Na een minuut of wat kwam hij dan weer aansjokken, kwispelend, een grote grijns op zijn gezicht. Gevecht gewonnen.
Max won altijd. Geen wonder. Hij was groot, beresterk en vastbesloten iedere tegenstander te tonen dat hij de baas was. Maar we wilden geen vechthond en ook geen gedonder met andere honden of hun baasjes, dus lieten we Max uit op plekken waar mens noch dier dood wil worden gevonden. Smerige parkeerplaatsen, een winderig jaagpad langs het kanaal, een strookje gras achter het industrieterrein. Leuk was anders.
‘Ik ken die hond.’
Het meisje dat me aansprak was begin twintig en zag eruit als iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats.
‘Bij zijn linker voorpoot heeft ie een litteken.’
Ik knikte. Max had inderdaad een litteken bij zijn linker voorpoot.
‘Het is een vechthond,’ ging ze verder. ‘En hij komt uit Limburg.’
‘Limburg?’ Ik kom zelf uit Limburg. ‘Kent u de eigenaar?’ vroeg ik.
‘Nee, ik weet alleen dat de eigenaar de hond heeft weggeven.’
‘Waarom?’
‘Omdat het geen goede vechthond was.’
Ik wou nog meer vragen, maar het meisje was al doorgelopen. Hoezo geen goede vechthond? Max was een vechtmachine, een kruitvat dat ieder moment dreigde te ontploffen, een spoor van louter verliezers achterlatend. Daarom waren we buiten zo voorzichtig. Niet dat het hielp. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen bleef het aantal incidenten zich opstapelen. Toen mijn vrouw in een poging Max aan de lijn te houden voor de zoveelste keer door het plantsoen werd gesleurd, was de maat vol. We besloten dat we hulp nodig hadden. Via de Gouden Gids kwamen we terecht bij de Martin Gaus-hondenschool die ons doorverwees naar Marianne, een hondentrainer in Bussum.
Daar stonden we dan. Zaterdagochtend, op een veldje aan de rand van de hei. Moeilijke honden en wanhopige baasjes onder elkaar, meewarig gadegeslagen door voorbijgangers. Foute honden, zag je ze denken. Of: foute baasjes. Helemaal ongelijk hadden ze niet. Met Max was in principe niet zo heel veel mis, begon Marianne. De fout lag bij ons. We moesten leren Max te negeren. Alleen zo maakten we hem duidelijk dat we zijn gedrag niet langer tolereerden. Niet schreeuwen, niet praten, maar wegkijken, de andere kant uitlopen en dan een ruk aan zijn riem geven. In hondentaal betekende dat zoveel als: denk niet dat jij de baas bent. Nog even, en je vliegt de deur uit.
Het hielp. Na een paar lessen begon Max ander gedrag te vertonen. Andere cursushonden werden niet langer uitgedaagd, Max nam rustig plaats in de rij en wachtte op het commando van Marianne. Ook buiten de lessen ging het beter. Een blokje om eindigde niet langer met een snoekduik in het plantsoen wanneer we een andere reu tegenkwamen.
Na twintig lessen was Max zover om voor zijn examen op te gaan. En slaagde. Met de hakken over de sloot. Martin Gaus kwam hem persoonlijk de oorkonde uitreiken.
‘Dus jij bent Max.’
Met een jaloersmakend onderdanige blik keek onze hond de bekende hondenfluisteraar aan. Max was niet langer een onaangepaste hond.
Getemd.
Normaal.
Als beloning mocht hij mee op vakantie.
Naar Midden-Portugal, waar we een huisje hadden gehuurd in the middle of nowhere, buiten het seizoen. Je moet het lot niet tarten. De reis voorliep voorspoedig. Het huisje was precies zoals beloofd. Geen buren, een groot terrein, een terras met uitzicht op de heuvels. Max stond onder voortdurende observatie. Als we even geen tijd hadden om hem in de gaten te houden, werd hij aan een touw aan een boom gebonden. Voor de zekerheid. Ook dat ging goed.
Tot die ene dag.
Op de grond lag een stuk afgebeten touw.
‘Godver…!!’
Uit het dal klonk geblaf. Max’ blaf. Moeiteloos konden we het spoor volgen dat hij door de omgeving trok, zoals een leger de vijand platwalst, als een tank. Soms was het beneden even stil, maar dan klonk er bij een boerderij of een vrijstaand huis opeens luid geblaf ten teken dat er weer werd gevochten. We konden niets doen, behalve ons verbijten. Na een uurtje of twee meldde meneer zich weer. Moe, maar voldaan. De Portugezen in de pan gehakt. We konden hem wel wurgen. Ondanks het advies van Marianne voer mijn vrouw in een lange, woedende preek tegen Max uit: ‘Als je dit nog één keer flikt, krijg je een steen om je nek en gooien we je in de rivier.’ Max boog het hoofd. Het leek alsof hij iets begreep. In ieder geval gedroeg hij zich de rest van de vakantie als een schoothondje.
Het jaar daarop kochten we een oude boerderij in Frankrijk. Voor we overgingen tot de aankoop verzekerden we ons ervan dat er geen reuen in de buurt woonden. In het gehucht waar de boerderij stond leefde één hond: een teef. De dorpsbewoners waren zo oud dat niemand nog een hond zou nemen. De kust leek veilig. Achter het woonhuis en de schuren lag een groot, afgezet weiland waar Max zijn gang kon gaan. Een paradijs. Max werd er spontaan een andere hond door. Rustig, verstandig. Zijn zelfvertrouwen schoot omhoog. Die ene keer dat er een zwerfhond – een reu – door het dorp schooierde, werd de vreemdeling met een korte grom weggejaagd. Onder applaus van de bewoners. Dit was Max’ dorp. Andere reuen hadden hier niets te zoeken. In ons Franse gehucht hoefden we ons over Max geen zorgen te maken.
De overgang naar Nederland viel ons steeds zwaarder. Het haastige leven, de drukte, het hutje-mutje-gevoel in de Randstad. We verhuisden naar Limburg, naar Hoensbroek. In verband met werk, maar ook omdat we wat ruimer wilden wonen. We kochten een huis met een wei. Niet zo’n grote wei als in Frankrijk, maar wel een wei. Achter het terrein gaf een poortje toegang tot een bos waar niemand kwam. Ideaal om Max snel even uit te laten. Maar inmiddels was onze hond zo verstandig dat we hem ook probleemloos op straat konden uitlaten. Aan de riem. Uiteraard.
‘Dat is mijn hond.’
De jongeman die me aansprak was het type waar ik normaal met een grote boog omheen loop. Foute sportschoenen, fout trainingspak, haren in een fout staartje, een nek vol tattoos.
‘Hij heeft een litteken bij zijn linker voorpoot,’ zei hij wijzend naar Max. ‘Waardeloze hond. Ik heb hem weggedaan omdat hij niet scherp genoeg was.’
De jongeman begon te vertellen. Dat hij even verderop woonde, in een oude hoeve, en dat zijn grote passie het fokken van vechthonden was. Een paar jaar geleden had hij uit vier verschillende rassen een nest gefokt. Hij noemde de bloedlijnen: dobermann, staffordshire, pitbull, akita inu. Bij iedere naam wierp hij me een veelbetekenende blik toe. Het moest de super vechthond worden. Scherp, fel, agressief, sterk. Hij sprak over het ‘circuit’ waar een hoop geld te verdienen viel. Ik dacht aan hondengevechten en gokmaffia. Ondertussen keek ik met een schuin oog naar Max. Hij leek de jongeman niet te herkennen of deed alsof, wat misschien wel zo verstandig was.
‘Met die hond valt geen cent te verdienen,’ zei de jongeman terwijl hij minachtend naar Max wees. ‘Zo eentje kost alleen maar geld. Daarom heb ik hem weggedaan.’
Hoe het uiteindelijk was afgelopen met Max interesseerde hem duidelijk geen zier. En ik had geen zin om nog langer met deze hondencrimineel te praten. Terwijl ik met Max verderliep, zoemden de namen door mijn hoofd. Dobermann, staffordshire, pitbull, akita inu. Alles waar ik bang voor was zat in onze hond. Geen wonder dat het zo moeilijk was geweest om Max in het gareel te krijgen.
Niet veel later verhuisden naar Frankrijk. Omdat ik stopte met werken. En omdat ik voor mijn vijftigste nog een boek wilde schrijven. Onze vakantiewoning werd ons vaste domicilie, het terrein achter de boerderij een echte tuin, met brede grasbanen en eilandjes vol struiken en bomen. Max vond het prachtig. Zijn tuin werd een park. Het leven in Frankrijk was goed. Het najaar, wanneer de bossen vol champignons stonden en we lange wandelingen maakten, naderde. Max hield van de bossen. Met een beetje geluk schoot er een ree voorbij waar je achteraan kon hollen. Niet om jacht op te maken, maar om even een stukje te rennen. Max rende nog steeds achter reeën aan, maar het duurde steeds langer voor hij weer terugkeerde. Soms liepen we zonder hond terug naar huis en kwam Max een kwartiertje later als een oude man aansloffen.
Om hem op te peppen namen we een jonge hond uit het asiel. Momo, een bloedmooie blonde teef van vier maanden. Max kon het wel waarderen. Een vriendin. Hij leerde haar alles wat een jonge hond moet weten. De twee waren onafscheidelijk. Behalve wanneer er een boswandeling werd gemaakt. Max raakte meteen achterop en keerde steeds later naar huis terug. In zijn eentje. Hij was grijs geworden, de spieren stram, een oude heer. Opstaan kostte steeds meer moeite, van rennen was geen sprake meer.
De zomer van 2006. Tijdens zijn ochtendwandeling begon Max opeens te wankelen. Zijn poten konden hem niet meer dragen. Om niet in een plas te vallen, deed hij nog een stap opzij en viel toen om. Dood. Terwijl de eerste vliegen al op hem neer streken, reden we hem in de kruiwagen naar zijn favoriete plek onder de oude hazelaar. Ik begon te graven, zo snel ik kon, tranen in mijn ogen. Een grote, diepe kuil voor een grote hond. We schoven Max in de kuil, joegen de vliegen weg en legden het matje waar hij zo graag op lag over hem heen. Ik schopte de aarde terug. Aan de rand keken Momo en mijn vrouw zwijgend toe.
Acht jaar later zie je nog steeds waar Max ligt. De grond is er iets meer ingeklonken en het gras groeit er nog weelderiger dan op andere plaatsen. Tijdens een tuinwandeling met Momo houd ik er altijd even halt. Soms mompel ik iets over Max die daar begraven ligt en dat ze zich haar grote vriend vast nog wel kan herinneren, waarop Momo me niet-begrijpend aankijkt. Acht jaar is lang geleden. Ook honden vergeten.
Op mijn werkkamer hangt een foto van een nog jonge Max. Iedere dag, voor ik begin, kijk ik eerst naar buiten, naar de oude hazelaar, en dan naar de foto. ‘Dag, lieve Max,’ zeg ik dan. ‘Baas gaat weer aan het werk.’