Neuroot

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 29-09-2015

Schrijvers zijn neuroten. Dat vertrouwde me ooit de vrouw van een bekende Nederlandse schrijver toe toen ik over haar man een radioprogramma maakte. De opmerking leek me zwaar overdreven. Haar man maakte een volslagen normale indruk. Misschien was zijn vrouw die dag met het foute been uit bed gestapt. Of ze vond dat hij beter aandacht aan haar kon besteden dan aan iemand van de radio.
Enfin.
Nu ik zelf schrijver ben, hoor ik mijn eigen vrouw hetzelfde zeggen. Je bent een neuroot. Ze heeft gelijk. Het schrijverschap haalt blijkbaar nogal merkwaardige trekjes in de mens naar boven. Bijvoorbeeld om de paar maanden jezelf googelen. Waarom? Omdat schrijvers ongelooflijk ijdeltuiten zijn. Ik ben de eerste om het toe te geven. Maar jezelf googelen heeft ook te maken met angst. De angst vergeten te worden. Zoveel schrijvers, zoveel boeken. Op de tafel in de boekhandel is het dringen. De concurrentie is moordend. Weten de lezers dat ik er ook nog ben? Daarom kijk ik regelmatig op Google of er nog recensies of andere reacties zijn verschenen. De vele illegale downloadsites die ik tegenkom probeer ik te negeren. Ook dat is neurotisch gedrag. Je kop in het zand steken terwijl half Nederland je boeken jat. Maar de basis van het googelen blijft toch de angst in de vergetelheid te raken. Vooral in de periode dat er aan een nieuw boek wordt gewerkt en je dus niks te melden hebt. Maar zodra het boek in de winkel ligt, is het al niet beter. Dan is er de angst dat niemand het koopt of dat men het ‘ruk’ vindt.
Kortom: neurotisch gedrag.
Net zoals het bezoeken van boekhandels. Wanneer ik in Nederland ben en geen lezing of signeersessie hoef te geven bezoek ik per definitie geen boekhandel. Stel dat ze me niet hebben. Wat betekent dat? Einde carrière, tijd iets anders te gaan doen? En als ik er wel lig, raak ik meteen in paniek en vraag me af waarom die boeken nog niet verkocht zijn.
Neurotisch gedrag dus.
Net zoals mijn ziekelijke drang om tot de laatste minuut aan een manuscript te blijven vijlen. Op een gegeven moment moet iemand zeggen: Stop! Mijn vrouw informeert voorzichtig of de laatste correcties nu echt de deur uit zijn en of ik inmiddels weer aanspreekbaar ben. Nog een keer doorkijken, zeg ik dan, en stort me weer op het manuscript.
Ja, ik geef het toe: ik ben een neuroot.
Een van de weinige dingen waar ik geen last van heb zijn schrijfrituelen. Het gedoe voor er eindelijk een letter op papier wordt gezet. De dagelijkse aanloop tot het creatieve proces. Voor veel collega’s luistert dat heel nauw. Het licht in de werkkamer, het bureau met uitzicht naar buiten of juist niet om niet afgeleid te worden, het kopje koffie links of rechts van de laptop, het oude vieze vest waarin het zo lekker schrijven is en dat tijdens de productie niet in de was mag, muziek aan of juist niet, facebook en twitter uit en liefst ook de telefoon of juist niet.
Iedere schrijver heeft wel de een of ander tic. Die heb ik gelukkig niet. Ik ga zitten en begin. Daarentegen heb ik weer een ander dingetje dat behoorlijk neurotisch is. Zolang er aan een boek wordt gewerkt, is mijn werkkamer verboden terrein voor onbevoegden. Ook voor de werkster. Wegblijven. Ik wil dat er niets wordt aangeraakt. Toegegeven: het wordt een enorme puinhoop, maar ik weet precies waar alles ligt en iedere poging tot ordening leidt tot paniek.
Ik doe ongeveer negen maanden over het schrijven. Al die tijd wordt er niet schoongemaakt en stapelen de pakken papier zich op. Notities, rekeningen, briefjes met telefoonnummers. Belangrijke aantekeningen hang ik aan de muur. In het zicht. Dat mijn werkkamer eruitziet als een varkensstal kan me niet schelen. Sterker nog: ik zie het niet eens. Blik op het computerscherm en tikken.
Verleden week gingen de laatste correcties de deur uit. Het boek is klaar.
De werkster stond al met de stofzuiger in de aanslag en vroeg wanneer ze kon beginnen.
Volgende week, zei ik. De aanblik was te gênant voor woorden. Ik ben gaan opruimen. De ergste rommel. De papierberg. Een grote vuilniszak vol. Ongelooflijk wat een mens allemaal tegenkomt. Notities. Heel veel notities. Invallen voor het boek noteer ik op briefjes, om ze vervolgens kwijt te raken. Geniale plotwendingen, beschrijvingen van personages, jaartallen, heel veel jaartallen, hoe oud dat en dat personage toen en toen was en wat hij toen deed. Ik schrijf het op, raak het kwijt en zet het vervolgens in een of ander bestand in de computer. Ik kwam blaadjes met telefoonnummers tegen, telefoonnummers die ik kwijt was en die ik daarna weer opnieuw en opnieuw had moeten opzoeken. En een rekening van de aannemer waarover ik nog bijna ruzie met de man had omdat ik ervan overtuigd was dat ik die rekening nooit had ontvangen. Excuses. Het dempertje van mijn tennisracket, ah, daar was het weer. Net zoals een papiertje met wachtwoorden voor allerlei accounts die ik vergeten was.
Na een dag uitmesten had ik mijn kamer weer op orde. Het bureau oogde maagdelijk. De grootste stofnesten waren weg. De werkster mag deze week de rest doen.
Daarna begin ik aan een nieuw boek en gaat de deur weer dicht.