Non classé

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 16-08-2012

Schrijven is een zittend beroep en lang zitten is niet gezond. Je krijgt het aan je rug of aan je hoofd omdat je ogen bijna uit je kop branden van het urenlange staren naar het beeldscherm. Schrijvers doen er dan ook goed aan om af en toe de benen te strekken. Naar buiten gaan is nog beter. Frisse lucht. Een rondje met de hond. Tuinieren. Sporten is het allerbeste. De zinnen verzetten.
Ik tennis. Dat doe ik al sinds m’n twintigste. Eerlijk gezegd begon ik al veel eerder. Met 7 jaar. Op de privétennisbaan van een vriendje wiens ouders veel geld hadden. Mijn moeder had mij een houten tennisracket gegeven dat een Amerikaanse soldaat tijdens de bevrijding van Europa had achtergelaten. Een houten Slazenger. Met snaren van kattendarm waarmee je niet in de regen mocht spelen en met een houten spanner die met schroeven moest worden aangedraaid zodat het racket niet krom trok. Zo ging ik de baan op. Met spanner. Geen idee dat dat ding er niet op hoorde. Met de uitstekende schroeven sloeg ik zo nu en dan een bal lek, hetgeen mijn ouders met bewondering aanhoorden. Ongetwijfeld had ik talent. Of ik de bal over het net sloeg, kan ik mij niet meer herinneren. Omdat niemand kwam kijken en mijn vriendje het doodnormaal vond dat ik mét spanner speelde, had ik na een jaar een ongelooflijk sterke rechterarm.
Die heb ik overigens nog steeds.
Met twintig begon ik weer opnieuw te spelen. Op de banen van Maccabi in Amsterdam. Voor tien gulden per jaar, met dank aan het toenmalige topsportbeleid van de Universiteit van Amsterdam. Ik speelde wekelijks een pot met een studiegenoot. We konden er allebei geen bal van, maar we stelden ons voor dat we wereldpartijen speelden en dat we daarna recht hadden op veel bier. Heel veel bier.
Daarna werd ik lid van een echte tennisvereniging en kreeg ik het hoog in mijn bol. Competitie. Ik wilde mij meten met anderen. Ondanks af en toe een geweldige forehand (met dank aan mijn krachtige rechterarm) waren de uitslagen catastrofaal. Ik besloot les te nemen. Een wijs besluit. Ik ging vooruit, stapje voor stapje. Ik was best snel. Ik moest alleen nog leren niet zoveel fouten te maken. Mijn forehand was mijn wapen. Ik ging toernooien spelen waar ik mij van alles voornam om uiteindelijk aan onverklaarbare woede-uitbarstingen ten onder te gaan. Frustratie natuurlijk. En een compleet verkeerd zelfbeeld. Je denkt dat je een aardige bal slaat, maar je bent nog steeds een kruk. Met tweeënveertig hield ik het voor gezien. Een drukke baan. Geen tijd, geen zin. Pure lafheid natuurlijk.
Sinds een jaar tennis ik weer. Omdat schrijvers af en toe de zinnen moeten verzetten en omdat ik het spelletje zo leuk vind. Tennis op dorpsniveau. Onze club heeft één baan en er zijn precies zes volwassenen die er gebruik van maken. Een maand geleden werd ik clubkampioen. Ik geef het toe: het was een makkie. Maar toch. De beker staat ergens bescheiden, maar toch zichtbaar, op een kast in de keuken. Gesterkt door dit sportieve succes besloot ik mee te doen aan een heus tennistoernooi in de buurt. De inschrijving had wat voeten in de aarde. Allereerst die rare achternaam, vervolgens de vraag wat mijn ranking was. Ranking? Ik had een pasje van de Franse tennisbond. Toen ik beter keek zag ik de letters NC. Non classé. Ik was een nul, iemand zonder verleden, anoniem. Een prettige gedachte eigenlijk. Dieper kan een mens niet zinken. Ik schreef me in voor de heren enkel ‘open’ en de heren enkel bij de ‘veteranen’. De toernooileider belde mij wel vier keer op om te zeggen dat hij me binnenkort weer zou bellen om me mijn eerste partij door te geven. De organisatie was dus niet zo geweldig, maar dit is Frankrijk en uiteindelijk komt toch alles goed. Opeens kwam het telefoontje dat ik moest aantreden. En wel zo meteen. Toen ik arriveerde stond het organisatiecomité klaar. De toernooileider die al enigszins dronken was en zijn drie ‘assistenten’ zoals hij de hoogbejaarde dames aanduidde die de baan veegden, de lijn veegden en voor het scorebord zorgden. Ballen waren er niet. Die moesten de deelnemers zelf meenemen. Evenals een medische verklaring dat je geen hartkwaal had en dat hij gevrijwaard was van eventuele doden op de baan. Ik zei dat mijn medische verklaring in Nederland lag, dat ik kipgezond was en vroeg of hij nog een biertje lustte. Daarna kon de partij beginnen. Ik ga nu geen uitgebreid wedstrijdverslag geven, maar het komt erop neer dat ik twee keer won en twee keer verloor. De laatste keer in de finale van de veteranen waarvoor zich precies drie mannen hadden opgegeven. Met een fles wijn keerde ik huiswaarts. Een ervaring rijker en de eerste punten voor de Franse ranglijst zijn binnen.