Op locatie

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 12-04-2012

Er zijn schrijvers die voor ze beginnen te schrijven eerst alle locaties willen kennen. Er wordt gelezen, gereisd, gefotografeerd, gefilmd en er worden stapels aantekeningen en plattegrondjes gemaakt. Ongeduldig als ik ben, pak ik het anders aan. Eerst schrijven, dan checken. Natuurlijk, veel van de locaties die ik beschrijf heb ik ooit wel eens bezocht of ik heb ze zo vaak op televisie gezien dat ik het gevoel heb dat ik er geweest ben. Maar een mens kan niet overal zijn geweest. Als ik bijvoorbeeld een delicatessenzaak nodig heb in de Parijse wijk de Marais ben ik overvraagd. Dan zoek ik eerst op internet of er een is en, zo ja, dan moet de vraag worden beantwoord of er per se een bestaande delicatessenzaak in het boek terecht moet komen. Is dat belangrijk? Soms wel, soms niet. Een schrijver is geen journalist. Hij heeft de vrijheid om te fantaseren. ‘Dit is een roman,’ staat er aan het begin van menig boek. En dat staat er niet zomaar.

Ook voor mijn nieuwste boek ‘Nacht in Parijs’ geldt: sommige dingen zijn gebaseerd op de werkelijkheid, andere dingen zijn uit de duim gezogen. Het mooiste is als de lezer geen verschil ontdekt. Een open plek in een bos met op de achtergrond een kabbelend beekje, een veldweg met zonnebloemen, een kamer in een smerig pension. Bestaan die locaties echt? Voor mij wel. Nauwer luistert het wanneer je gaat goochelen met straatnamen. Neem bijvoorbeeld een actiescène die zich afspeelt op een bekende Parijse boulevard. Dan moet alles kloppen. Hoe rijdt het verkeer, is er een aparte busbaan, hoe is de kwaliteit van het asfalt, wat zijn de obstakels, hoe hoog is de stoeprand, waar kun je plotseling afslaan en waar kom je dan terecht?

In ‘Nacht in Parijs’ speelt zich ook een scène af in Amsterdam. Een man zoekt een hotelletje in de rosse buurt. Hij loopt door allerlei steegjes en belandt uiteindelijk op een niet nader bij naam genoemde gracht waar hij, voor hij zijn intrek neemt in een hotel, oog in oog staat met prostitué op zekere leeftijd. Tot zover de scène. Ik schreef het in één keer op. Ik ken de stad op mijn duimpje, heb er bijna twintig jaar gewoond. Geen probleem. Dacht ik.

Half maart was ik in Amsterdam. Op weg naar het station kwam ik op de Gelderse kade terecht. Terwijl ik daar liep, realiseerde ik me dat dit de gracht was waar mijn romanfiguur een hotel betrok. Ik keek om heen. Hotels genoeg, maar waar waren de hoeren? Even sloeg me de paniek me om het hart. Dat de gemeente de wijk probeerde schoon te vegen was me bekend, maar ik had nooit beseft dat ze zo tekeer waren gegaan. Over een week werd mijn boek gedrukt. Er stond iets in dat niet klopte. Mijn Amsterdamse vrienden zouden me meewarig aankijken. Stop de persen, schoot er door mijn hoofd. Ondanks de gure wind, kreeg ik het opeens erg warm. Wat kon ik doen? Doorlopen. Vijftig meter verder lachte het geluk me toe. Ik passeerde een roodverlicht raam met daarachter twee prostitués. En ook nog ‘op zekere leeftijd’. Onwillekeurig hield ik even in, knikte de dames vriendelijk toe en had zelfs de neiging mijn duim op te steken. Terwijl een van de twee spontaan haar weelderige borsten ontblootte, zette ik er gauw de pas in. Een beetje gegeneerd, maar vooral opgelucht.