Overwinteren

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 20-12-2012

Overwinteren is voor bejaarden. Ik heb lang geprobeerd het te ontkennen, maar het is zo. Toen we afgelopen zondagmiddag met vrienden een vorkje prikten in een Provençaals restaurant, zag ik dat ik weliswaar de jongste was, maar dat ik qua leeftijd ook weer niet zo heel veel scheelde van de andere grijze aanwezigen. Veel Denen. En ook een paar Fransen. In ieder geval mensen in bonus. Ik zag het aan hun kleding en hoorde het aan hun manier van converseren. De blinkende bolides op de parkeerplaats waren me evenmin ontgaan. Wie rijk is woont aan de Côte d’Azur of een paar kilometer landinwaarts waar het net zo mooi is en misschien wel nog exclusiever. Wie niet rijk is, zoals wij, huurt er een huis voor de wintermaanden. Het kost wat, maar je krijgt er ook een hoop voor terug. Ander licht, andere vegetatie, andere temperaturen. De Var is wonderschoon. Bergen, wijngaarden, pijnbomen, olijven, cipressen en eeuwenoude dorpjes met smalle, idioot steile steegjes. Tussen de verschillende dorpen gaat het bergje op, bergje af, met veel slingeren over smalle weggetjes. Je waant je zo in de rally van Monte Carlo. Alhoewel… gisteren reed ik mezelf in een haarspelbocht klem en veroorzaakte een kleine opstopping, waarna ik in de achteruit moest om de weg weer vrij te maken voor het verkeer. Stomme overwinterraar, zag ik sommige automobilisten denken. Ik groette vrolijk terug. Waarom ben ik hier nooit eerder geweest? vraag ik me af. Mijn ouders gingen hier altijd op vakantie. Dan zal het wel niks voor mij wezen, dacht ik. Een mens kan zich vergissen.
Het huis is heerlijk. Alle kamers liggen gelijkvloers. Ik zei het al: overwinteren is voor bejaarden. Iedere kamer heeft zijn eigen terras. Er is een kleine bibliotheek met boeken die we altijd al een keer hebben willen lezen, waardoor de meegenomen stapel maar even moet wachten. Er is een zwembad, waarvan het water te koud is, maar alleen al de aanblik geeft een gevoel van luxe. Maar het fijnste is het zuid-terras. In de zomer brandt een mens hier ongetwijfeld weg. Nu – ik schrijf dit stukje eind november – is het er aangenaam toeven. De laptop naar buiten en tikken maar. Voor een thrillerauteur werkt de streek inspirerend. Al die landhuizen met hun hekken en bewakingscamera’s. Hoe komen mensen aan zoveel geld? Wat hebben ze te verbergen? En als je geen geld hebt en je zoekt een rijk slachtoffer? Mijn criminele fantasie slaat hier meteen op hol. Het zal ongetwijfeld tot een boek leiden.
En dan zijn er nog onze meegereisde dieren. Vier poezen en een hond. Na een nachtje bijkomen van de reis mochten ze de volgende dag naar buiten. Terrassen, trapjes, muurtjes. Ze voelden zich meteen thuis. Het huis ligt op een heuveltje met aan een kant uitzicht op de campagne en de bergen en grenst aan de andere kant aan een groot bos. Een huis en een terrein dat verdedigd moet worden. De beesten hebben het er maar druk mee. Regelmatig krijgen we van hun zo’n blik van: we gaan hier toch niet meer weg?
Nog niet, jongens. Nog niet.