Poetin en ik

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 05-03-2012

Toen ik voor de radio werkte, reisde ik regelmatig naar het buitenland. Hoe verder hoe beter. Oeganda, Panama, Azerbeidzjan en Armenië. Landen waar je normaal nooit komt en waar je nooit zo veel over hoort. Tijdens die reportages stonden altijd een paar verplichte interviews op het programma zoals met de Nederlandse ambassadeur/consul, en ook met het staatshoofd. Als het lukte. En als het niet lukte, was dat ook geen ramp, want staatshoofden hebben nooit zoveel interessants te melden en op kritische vragen geven ze altijd dezelfde nietszeggende antwoorden. Namelijk dat wij, rijke Europeanen, de situatie in hun land niet juist kunnen beoordelen en dat, als wij ze hun gang laten gaan, alles uiteindelijk goed zal komen.
Gedurende die reizen heb ik drie staatshoofden voor de microfoon gehad. Mannen – want het waren allemaal mannen – die niet helemaal deugden en met wie het later ook niet altijd goed is afgelopen. Drie staatshoofden. Niets om bijzonder trots op te zijn. Ik vermeld het aantal slechts als feit.
Drie. Eigenlijk waren het er vier. Dat hoorde ik een paar maanden geleden toen mijn collega, met wie ik al die verre reizen maakte, zijn kamer opruimde en op oude opnamebandjes stuitte.
In 1990 waren we in de Sovjet Unie, waar het gonsde van ‘glasnost’ en ‘perestroika’ en waar iedereen wachtte op het moment dat de communistische heilstaat uit elkaar zou spatten. De ‘Sovjet Tijdbom’ luidde de titel van onze radioserie. Op een toeristenvisum waren we het land binnengekomen. Vijf dagen Leningrad, vijf dagen Moskou. En daarna, met andere reispapieren, nog een week naar de Kaukasus. Onze agenda zat propvol. Drie, vier interviews per dag met iedereen die iets kon of durfde zeggen over de toekomst van de USSR. Journalisten, activisten, jongeren, intellectuelen, kunstenaars. Zelfs met studenten Nederlands. Aan de Universiteit van Leningrad studeerden zo’n 30 jongeren Nederlands en kregen les van een Rus die in Leuven had gestudeerd, waardoor alle Russische studenten een soort Vlaams spraken.
Hoog op ons verlanglijstje stond Anatoli Sobtsjak, burgemeester van Leningrad, vooruitstrevend politicus en iemand wiens naam genoemd werd als de nieuwe leider van het nieuwe Rusland. Vanuit Nederland probeerden we een afspraak te maken. Sobtsjak wilde wel, maar onze agenda’s sloten niet op elkaar aan. Op de dagen dat wij in Leningrad zaten, zat hij in Moskou. En wanneer wij in Moskou waren, was hij weer terug in Leningrad. Pech dus.
En zo liepen wij tijdens ons verblijf in Leningrad op een middag langs het gemeentehuis. We hadden een uur niets te doen en ergerden ons nog steeds dat het niet gelukt was om Sobtsjak te ontmoeten. We gaan het gemeentehuis binnen, zei mijn collega in een baldadige bui. Kijken wat er gebeurt. En zo meldden we ons bij de receptie aan. We hebben een afspraak met Anatoli Sobtsjak, zei ik. Dat kan niet, antwoordde de man achter de receptie, want die is in Moskou. Ik veinsde verbazing. We hebben een afspraak gemaakt, riep ik. Gisteren hebben we er nog over gebeld. Met wie? wilde de receptionist weten. Ik moest een naam noemen. Maar van wie in godsnaam? Met meneer Romanov, zei ik terwijl de familienaam van de tsaar de enige achternaam was die me te binnen schoot. De receptionist keek me verbaasd aan. Maar daar gaat meneer Romanov helemaal niet over. Hij pakte een toestel en begon te bellen. Een of andere nietsvermoedende ambtenaar kreeg de wind van voren. Wilt u even wachten, klonk het even later. We hadden beet, wisten we. Een of andere bode leidde ons naar een grote stijlvol gemeubileerde kamer waar we verder moesten wachten. We trokken een serieus gezicht maar hadden ondertussen moeite om ons lachen in te houden. Na een halfuur kwam er een kleine geblokte man in een militair uniform die zich verontschuldigde voor het gerezen ‘misverstand’ en zei dat hij als adjunct burgemeester een kwartier tijd had om onze vragen te beantwoorden. Zo gezegd, zo gedaan. We stelden onze vragen, nu weer serieus. Na een kwartier stonden we weer op straat. Missie geslaagd. Het materiaal was echter matig en in de montage bleef nog geen minuut over. Wat ik me herinner is hoe we ons het gemeentehuis binnen lulden en niet wat de plaatsvervangend burgemeester in zijn militaire pakje te zeggen had. Zelfs de naam van de man was ik allang vergeten. Tot een paar maanden geleden mijn collega de bandjes opruimde en de naam op het doosje zag staan. Vladimir Poetin. Voor de zekerheid luisterde mijn collega het bandje af. Hij was het echt: Poetin, de niet weg te branden president van Rusland die net aan zijn derde termijn is begonnen. In mijn statistieken tel ik hem sindsdien maar mee. Staatshoofd nummer vier op mijn lijstje van geïnterviewde staatshoofden.
Wat is er eigenlijk gebeurd met Anatoli Sobtsjak, de echte burgemeester en de gedroomde leider van het nieuwe Rusland, vraag ik me af. Ik kan me niet herinneren de naam de laatste jaren gehoord te hebben. En dus zoek ik het antwoord op internet. Sobtsjak, burgemeester van Leningrad/Sint Petersburg, staat er, leermeester en vriend van Vladimir Poetin en steunpilaar onder diens campagne om president te worden. Maar dan staat er iets raars. Tijdens Poetins verkiezingscampagne in februari 2000 overlijdt Sobtsjak onverwacht op 63 jarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval. Vlak na een ontmoeting met Poetin. Het toeval wil dat er die dag meer mensen uit Poetins gezelschap stierven. Zogenaamd allemaal aan een hartaanval. Tegenstanders van het regime vermoeden dat Sobtsjak is vergiftigd. Een complottheorie, waarvan er in Rusland al zoveel zijn. Op wikipedia prijkt een foto waarop te zien is hoe Poetin de weduwe en dochter van Sobtsjak troost. Het lijkt wel een scène uit een maffiafilm.
Als Poetin nog één keer een kwartiertje voor me zou vrijmaken, zou ik het hem kunnen vragen. Wat is er gebeurd met Anatoli, uw oude vriend? Zou Poetin iets zeggen? Nee, natuurlijk niet. Misschien kan ik het gegeven nog eens gebruiken in een thriller. Met verandering van alle namen. Wel zo veilig.