Schrijvershond

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 04-02-2015

Een beetje schrijver heeft een hond of een kat. Een hond én een kat is nog beter. Schrijven is een eenzame bezigheid. Gezelschap is fijn. Een kat die decoratief naast de laptop ligt. Een hond met wie je tussendoor de benen strekt.
Ik heb vier katten en ik had een hond.
Momo.
Sinds haar overlijden een paar weken geleden is het maar stil in huis. En het schrijven is niet meer wat het was.
Toen mijn vrouw en ik 11 jaar geleden verhuisden naar Frankrijk zochten we een jonge hond voor onze oude hond Max. In de krant stond een artikel over de open dag van het asiel in Guéret. De bijbehorende foto toonde een pup. Momo. We waren meteen verliefd op haar. Tijdens de open dag stonden we als eersten voor de poort. Een teef van vier maanden, blond, hoge poten, een kokette kont. We mochten haar meenemen.
Vanaf de eerste dag was Momo mijn hond. Ook al nam mijn vrouw de opvoeding ter hand. Daarin is ze onovertroffen. Strikt, duidelijk, niet zo soft en meegaand als ik. Momo kreeg dezelfde goede opvoeding als onze eerdere honden.
Het was de zomer van 2004. Ik had mijn baan in Nederland opgezegd en alles verkocht om in Frankrijk een boek te gaan schrijven. Een thriller. Het verhaal zoemde al een tijdje door mijn hoofd, maar eerst wilde ik even helemaal niets doen. Behalve het huis verbouwen en piano spelen en heel veel in de tuin werken. Momo en ik waren onafscheidelijk. Zeker toen Max het jaar daarop overleed.
Niet veel later begon ik dan eindelijk te schrijven. Ik trok me terug in mijn studio. Momo bekeek het met enige reserve. Na de ochtendwandeling verdween ik opeens naar boven en ging de deur dicht. Baas schrijft.
Schrijven.
Ik meende te weten hoe dat in zijn werk ging. Voor de radio had ik tientallen beroemde schrijvers geïnterviewd. Nu moest ik zelf aan de bak. Hoe schrijf je een boek? Maak je vooraf een hoofdstukindeling of juist niet? Hoe lang ga je voor de computer zitten en blijf je daar ook zitten als je niks kunt bedenken? Hoeveel woorden moeten er per dag worden geproduceerd en hoe weet je of dat de goede woorden waren? Kort gezegd: ik rommelde maar wat aan. Niet onprettig overigens. Na een paar weken had ik mijn ritme gevonden. Iedere dag van 10 tot 4 tikken, onderbroken door kortere en langere pauzes. ‘Kom, Moom, we gaan even lopen.’ Na een uurtje schrijven moest ik eruit. Frisse lucht, bewegen. Momo vond het prachtig. Een rondje door de tuin, een langer blokje om, naar de bossen of de rivier. Zwemmen, takken gooien, paddenstoelen zoeken. Tijdens het lopen maalden de zinnen die ik net geschreven had door mijn hoofd. Wanneer we weer thuis waren wist ik hoe het anders en beter moest. En hoe het verhaal verder ging.
Zo werd Momo een schrijvershond.
In haar gezelschap ontstonden de beste ideeën. Inmiddels weet ik dat creativiteit het beste gedijt tijdens volledige ontspanning. Nergens aan denken, het hoofd leeg, niets willen of moeten. Een schrijver heeft zitvlees en een paar goede wandelschoenen nodig. En een hond. Dan komt de rest vanzelf.
Zo schreef ik 6 boeken.
Bij het schrijven van boek 7 zag ik al dat Momo het einde niet zou halen. Haar voorpoot was ontstoken. Was het alleen een ontsteking die behandeld kon worden of was het botkanker? Ik hoopte het eerste, tegen beter weten in. Momo was al vaker aan de dood ontsnapt. Een aanrijding met een deux chevaux had ze op miraculeuze wijze overleefd. Net zoals een vergiftiging door het eten van gras in een weiland waar net een boer een hoop chemische troep op had gespoten. Een ontsteking van de baarmoeder en de operatie daarna had ze ook doorstaan. Net als een plotselinge maagtorsie. Maar tegen de botkanker bleek geen kruid gewassen.
Met de dag ging haar gezondheid achteruit. Loopjes waren er niet meer bij. De poort uit om langs de weg een drol te leggen en dan weer terug naar huis. Liggen, slapen, zo min mogelijk bewegen. Toen ze ophield met eten, wisten we dat haar laatste uur had geslagen. De dierenarts kwam langs voor een spuitje, waarna Momo in onze armen insliep. Het graf was inmiddels voorbereid. Een kuil in de tuin, tussen de hazelaars, vlak bij haar grote vriend Max. Toen ik het graf toedekte, begon het sneeuwen.
Het schrijven van het boek gaat verder. Ik probeer het oude ritme te hervinden en loop tussendoor nog steeds even naar buiten. De poezen doen erg hun best me te vergezellen. Vrolijk huppelend lopen ze voor me uit. Een rondje door de tuin, een stukje door het dorp. Lief. Maar het is toch anders.