Spitten

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 01-01-1970

Schrijven en tuinieren gaat prima samen. Schrijven wanneer er geschreven moet worden en tuinieren wanneer het verhaal nog zoveel kanten uitschiet dat het beter is om nog even te wachten. Momenteel tuinier ik en denk na. Ondertussen wordt de moestuin omgespit. Ouderwets met de hand. Meter voor meter om de rug zoveel mogelijk te sparen. Als vanzelf gaan mijn gedachten naar mijn opa. Een grote, brede man. Ik zie hem staan, leunend op zijn schop. Een markante zongebruinde kop. Als hij tegen de zon in keek en even geen pijp in zijn mond had, leek hij op Marlon Brando in The Godfather. Daarmee hield de vergelijking onmiddellijk op. Mijn opa was een lieve man die geen vlieg kwaad deed. Bescheiden, verlegen, en zelfs een beetje bang. Ik geloof niet dat hij ooit in het buitenland is geweest. Te ver, te vreemd. Toen ik in Amsterdam studeerde, kwam hij me een keer opzoeken. Niet om de stad te zien, maar omdat hij net zo’n Stetson-hoed wilde als ik droeg. Na een bezoek aan de firma Meddens en een haastige kop koffie bij de Bijenkorf nam hij ijlings de trein terug naar huis, naar Limburg.
Mijn opa werkte als verbandmeester op de Oranje Nassau IV, een van de mijnen in Zuid-Limburg. Als een soort chef Eerste Hulp hield hij zitting in een schoongeboende betegelde ruimte die rook naar lysoform. Na de ‘schicht’ kwamen de gewonde mijnwerkers langs om verbonden te worden. Ik herinner mij het contrast tussen de beroete mijnwerkers en de smetteloos wit gesteven jas van mijn opa. Als er een ernstig ongeluk gebeurde, moest hij de ‘koel’ in om op honderden meters diepte eerste hulp te verlenen. Gebeurtenissen waar hij liever niet over sprak.
Hij woonde op de Heksenberg, een dorp aan de rand van Heerlen, en keek uit op de kolonie waar de mijnwerkers woonden. Als verbandmeester had hij recht op een hoekwoning met een extra brede tuin die voor meer dan helft als moestuin werd gebruikt. Tegen de meidoornhaag stond de duiventil. Ik herinner mij de kaarsrechte paden tussen de groentebedden. Bonen, prei, wortels, aardappels, kruisbessen en aalbessen waren als een liniaal geplant. Los geschoffelde aarde zonder ook maar een sprietje onkruid – heel anders dan bij ons. Tegenover het huis liep de spoorbaan waar mijn opa een stuk land had waar hij nog meer groente verbouwde. Alles even piekfijn onderhouden. Een kwestie van trots. Wie het niet breed had, hoefde dat nog niet te tonen. De oogst hielp het gezin de winter door. De aardappels in de kelder, de bonen in eindeloze rijen weckflessen met rode rubbertjes en metalen sluitingen.
Zijn kinderen moesten een vak leren, een écht vak, zeker de jongens. Wie niet leerde, kwam in de mijn terecht en was zijn leven niet zeker. Leren dus. Of een goede partij aan de haak slaan, zodat er later genoeg geld was om in een winkel groente te kunnen kopen en niet langer te hoeven zwoegen in de moestuin.
Terwijl ik mij moeizaam door de Franse aarde werk, voel ik mijn opa over mijn schouder meekijken. Ach jongen toch, hoor ik hem mompelen. Wat een armoede.