Sunny

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 12-01-2012

Soms voel je aan je water dat er iets mis is. Het was zondagavond. Sunny, onze rood-witte kater, kwam niet opdagen. Niks voor Sunny. In tegenstelling tot zijn vader, moeder en tante bevindt hij zich altijd op een paar meter afstand van het huis. Meestal op de vensterbank, te wachten tot hij wordt binnengelaten. Buiten is het leuk, maar binnen staat het eten. In de zomer is de deur altijd open. In de winter spelen de mensen voor portier. Ook als dat betekent dat we om de haverklap moeten opstaan om de een uit te laten en de ander binnen te laten. We doen het graag.
Sunny was er dus niet. De andere drie lagen op de bank. We zeiden niets tegen elkaar. Geen paniek. Niet meteen. We zijn de afgelopen jaren al twee katten kwijtgeraakt. Omdat het toen iedere keer onze enige kat betrof, waren we weken volledig van slag. Dat zou ons niet meer overkomen, besloten we. Twee jaar geleden ontfermden we ons over twee katten uit Bretagne, broer en zus, die we Ali en Spook noemden. Een paar maanden later kwam Luna erbij, een jonge kat uit een nest in de buurt. Alles onder het mom van: gezellig. Maar ook met de gedachte: als-er-eentje-wegloopt-blijft-er-altijd-nog wat-over.
Verleden jaar werd Sunny geboren, de zoon van Spook en – vermoedelijk – Ali. Omdat Sunny zo pienter uit zijn ogen keek, besloten we hem te houden. Maar we zouden ons niet gaan hechten, spraken we met elkaar af. Het zijn maar katten. Voor je het weet krijgen ze het op hun heupen en zijn ze weg. Ondankbare krengen dat het zijn. Alsof het leven ergens anders beter is. Alsof ze daar ook stukjes echt vlees en vis te eten krijgen en met kerstmis een beetje foie gras. Alsof de mensen daar de bekertjes yoghurt net zolang vasthouden tot ze helemaal zijn schoongelikt.
Katten rennen weg. Of ze gaan dood omdat ze de risico’s van het landleven onderschatten. Jagers, automobilisten die te hard door ons dorp rijden, schuren waar genoeg rattengif is gestrooid om een kleine provinciestad uit te roeien, roofdieren. We wonen op een plateau. Kennelijk is de thermiek er ideaal, want buizerds en andere roofvogels cirkelen er graag rond. ’s Nachts jagen er uilen voor wie zelfs een lam niet veilig is. Laat staan een katertje van zeven maanden. Nee, we zouden er niet opnieuw intrappen. De katten zouden het overleven of niet, maar we gingen ons niet hechten.
En nu is Sunny al vier dagen weg. Echt weg. We weten het zeker. Zoiets voel je. In plaats van de kleine kater kruipt Luna nu ’s avonds bij Ali op de bank. Momo, de hond, verveelt zich dood nu ze haar mand niet langer hoeft te verdedigen tegen Sunny die een eigen mand heeft, maar niets beters te doen heeft dan de hondenmand in beslag te nemen. Niets is wat het ooit was. De hiërarchie in huis lijkt volledig overhoop gehaald. Iedereen – mensen en dieren – doet alsof er niets aan de hand is, maar ondertussen zijn we allemaal van slag. Ik kijk naar de foto die mijn vrouw verleden week heeft gemaakt. Met z’n vieren op de bank. De rood-witte kater, zijn vader, linksboven nog een stukje van de moeder, ikzelf. Het is de laatste foto van Sunny. Ik voel tranen branden.
Snel ga ik naar buiten. Frisse lucht. Even lopen met de hond over het terrein. De zon schijnt. Het is zacht. Het lijkt wel lente, maar ik kan er niet van genieten. Ik twijfel of ik deze blog wel moet publiceren en of dit soort besognes niet veel te sentimenteel zullen overkomen. Een kater zoek. Nou en? Er gebeuren ergere dingen in het leven. In Syrië woedt een burgeroorlog, in Zuid-Soedan slaan ze elkaar weer de koppen in, even verderop sterven duizenden kinderen van de honger. Dat is pas erg.
Ik loop de helling op en kijk recht tegen de laagstaande zon in. Het duurt even voor ik het zie. In de kerria zit Sunny. Hij trekt met zijn achterpoot, maar ik zie geen wond. Hij is vermagerd, maar zijn vachtje glimt. Er volgt een beetje zielig piepje. Ik roep mijn vrouw. Heel hard. Ze komt meteen naar buiten gestormd. Wat is er, vraagt ze. Maar ze weet het antwoord al. Daar! Ik wijs naar de kerria waar Sunny zich door Momo laat aflikken. Even later lopen we met de kleine kater het huis binnen. Deur dicht. De familie weer compleet. Zo hoort het. En dat het maar altijd zo mag blijven.