Thuis

Rubriek: BLOG | Geplaatst: 02-05-2013

Na vier maanden overwinteren in de Var vonden we het mooi geweest. De ongeveer twintig schemerlampen in onze luxe huurwoning hadden alle aanvallen van de katten overleefd. De horren hingen nog voor de ramen. De beste boeken uit de huisbibliotheek waren gelezen. Tijd om te gaan. Geluk moet je koesteren zolang het er is.
Nu nog vier poezen invangen en hun reismandjes krijgen. Alsof ze wisten dat we zouden vertrekken, meldde het kwartet zich ‘s ochtends voor het ontbijt en liet zich zonder problemen inpakken. Onderweg geen kik. Echte reispoezen. Net als de hond. Maar dat wisten we al.
De zon scheen. Met iedere honderd kilometer veranderde het landschap. Het Centraal Massief oogde weliswaar nog een beetje winters, met sneeuw op de bergtoppen, maar in het dal stond alles op springen. We reden de Creuse binnen, ons departement. Goed, er stonden geen olijfbomen en palmen, maar het was toch een verdomd mooie streek. Natuur, ruimte, wat wil je nog meer? En hoeveel graden verschilde het nou met het zuiden. Drie, vier? Dat viel toch best mee. Soms moet je op reis gaan om te beseffen wat je hebt.
In ons dorp was geen spat veranderd. Daar stond ons huis. Een mooi huis, zeiden we tevreden tegen elkaar. Groot en stoer. Goed de luiken konden een likje verf gebruiken. Maar dat klusje zou ik in de lente voor mijn rekening nemen. We openden de deur. Het licht deed het. Mooi. Luiken open en kijken of de waterleiding het nog deed. Ja hoor. Niets bevroren. De winter was mild geweest. Desondanks was het in huis maar drie graden. Gauw de kachel en de radiatoren aan. Vijf uur later was het al bijna acht graden. De beesten hadden nergens last van. Ze kregen hun eten op hun vaste plekje in de keuken. Iedereen tevreden. Terwijl de poezen het dorpse nachtleven indoken, gingen wij naar bed. Sokken en kleren aan. Een nachtje maar. Morgen zou het huis weer warm zijn, wisten we. We sliepen als een roos. Eindelijk weer thuis. Alles goed.
Maar zo was het niet. Toen we de volgende ochtend de televisie aanzetten, meldde het scherm pontificaal ‘geen signaal’. Kut! Excusez le mot, maar wij zijn nogal van de televisie. Nieuws, documentaires, sport. De satellietontvanger was een cadeautje van mijn oude werkgever (zodat ik daar in de rimboe op de hoogte bleef van wat er in de wereld gebeurde, voor het geval ik besloot om weer naar de omroep terug te keren). In een la vond ik de nota van de schotelboer. En een telefoonnummer. Ik belde. Ja, geen signaal, zei de man me iets te triomfantelijk, dan is er echt iets mis. De schotel verschoven, een kapotte kop. Als ik u was, zou ik maar een monteur bellen.
Ik zei tegen mijn vrouw dat we hulp nodig hadden. Professionele hulp. Laat mij maar even, zei ze, terwijl ze op beide afstandsbedieningen begon te drukken. Als ze ‘laat mij maar even’ zegt, weet ik dat ik haar niet verder moet storen en dat het meestal goed komt. Na drie kwartier hadden we inderdaad weer beeld. Eurosport. De afstandsbediening deed het niet, waardoor je met de hand moest schakelen naar de andere zenders. Duitsland, Frankrijk. Alles zat erop. Behalve Nederland 1, 2 en 3. (De Nederlandse commerciële zenders hebben er nooit op gezeten.)
Dan maar zonder Nederlandse televisie dacht ik. Waarom niet? Ik kijk sowieso te veel naar Eva Jinek en DWDD en P&W. Die tijd zou ik mooi kunnen gebruiken om aan mijn boek te werken. Bovendien kon ik alles terugzien op ‘Uitzending gemist’. Als ik dat zou willen. Toch belde ik nog even met de schotelboer om hem – triomfantelijk – te vertellen dat mijn vrouw het ding weer aan de praat had gekregen en dat alles het deed, behalve Nederland 1, 2, 3 en of hij daar iets aan kon doen. Ik moest hem een mail sturen met het nummer van de smartcard, zei hij. Dan zou hij de zenders weer activeren.
De volgende dagen checkte ik steeds even of Nederland het al deed. Nee dus. Geen ramp. De eerste week ging voorbij zonder dat ik het gevoel had veel te missen. Het kabinet van Rutte was nog steeds vleugellam, maar desondanks werd bezuinigd op alles wat ooit als sociaal gold. Een enkele keer keek ik iets terug op ‘Uitzending gemist’. Ik ging vroeg naar bed om ook weer vroeg op te staan en dan meteen te schrijven. Het werkte. Hoe minder je wordt afgeleid, hoe meer je schrijft. Ik dacht aan al die auteurs die nooit televisie hadden gehad en prachtige boeken hadden geschreven. Misschien moest ik maar stoppen met naar dat kastje kijken. Schrijven, lezen, een monniksleven leiden. Discipline.
Maar ja. De tweede week zonder Nederlandse televisiezenders begon het te kriebelen. Via internet wist ik wat er gebeurde, maar ik miste de rel en gelul van de talkshows. En het voetballen. En straks kwam het WK afstanden schaatsen. Niets tegen de Duitse televisie, maar schaatsen kijk je met Nederlands commentaar. Toch? Dus belde ik de schotelboer in Nederland nog maar eens op. Of hij mijn mail had ontvangen. Vergeten, luidde het antwoord. Ik ga het nu regelen.
Een dag later deden de Nederlandse zenders het weer. En merkwaardig genoeg konden we ook weer ouderwets schakelen met de afstandsbediening. Alles is weer terug zoals het was. Ondanks alle goede voornemens kijk ik weer dagelijks naar iedere scheet van DWDD en P&W. Maar – ter geruststelling – er blijft genoeg tijd over om te schrijven.