De doden

Geplaatst op: 18-10-2020

20201018_115743

Vijf jaar geleden overleed Anna. Iedere minuut van die dag staat op mijn netvlies gegrift. Haar laatste woorden, de pijn, de morfinepleisters die niet meteen wilden helpen en tenslotte… het inslapen. Anna was heel erg ziek. Ik was meer dan twee jaar mantelzorger en wist dat ze ging sterven. En dat wist zij ook, en ze wilde het ook. Geen gedokter, geen ziekenhuisopname. Ze had een behoorlijk onstuimig leven geleid en was ouder geworden dan ze ooit had gedacht. Maar nu was het mooi geweest. Op een moment dat ik even niet oplette gleed ze weg. Tweeënzestig jaar oud. Haar dood was een bevrijding, zowel voor haar als voor mij.

Daar zat ik dan, in mijn uppie in Frankrijk. Mijn broertjes kwamen over voor Anna’s crematie, daarna reisde mijn beste vriend van Amsterdam naar de Creuse om me te assisteren bij het uitstrooien van de as. Daarna was het akelig stil. En eenzaam. Ik had enorme behoefte om mensen te zien. De tournee die ik in oktober zou maken voor mijn nieuwe boek was – om begrijpelijke redenen – afgeblazen. Ik belde de uitgever met de vraag of we hetzelfde rondje misschien eind november konden maken. Binnen een paar dagen was alles geregeld. Ik stapte in de auto en reed naar Nederland, doodop en ernstig vermagerd door alle ellende, maar het vooruitzicht om vrienden te zien hield me op de been. Een van de eerste optredens was een interview in de bibliotheek van Heerlen, mijn geboorteplaats. De zaal zat goed vol. De interviewer voelde perfect aan dat ik niet alleen over een boek wilde praten maar vooral over Anna. Na afloop wachtte een groepje vrienden me op om naar de kroeg te gaan. Hedie was een van hen. Bij het signeren hadden we een paar woorden gewisseld. Ken je me nog, had ze gevraagd. Ja zeker, had ik geantwoord. Toen we zestien waren hadden we in hetzelfde kerkkoor gezongen. Ik kende André, haar man die dat jaar plotseling was overleden. En toen ik in maart van 2015 het vreselijke nieuws had gehoord, had ik haar nog een briefje gestuurd om haar sterkte te wensen.

Met een mannetje of twintig liepen we naar het café aan de overkant van de bieb. Tafels werden aan elkaar geschoven, de eigenaar van het café nam de bestellingen op. Hedie ging als eerste aan tafel zitten, helemaal in de hoek, tegen de muur. Een onzichtbare hand dreef me naar de zitplaats tegenover haar. We begonnen meteen te praten. Over wat ons was overkomen en hoe het verder moest. Huilen, lachen. Een intensief gesprek, waarin we geen oog en oor hadden voor de anderen aan tafel. Moet je niet ergens anders zitten, vroeg ze na een uur, wijzend op de vrienden met wie ik nog geen woord had gewisseld. Ik zei dat het goed was en bleef zitten. Volgens mij begreep iedereen aan tafel wat er gebeurde en waren we bij voorbaat geëxcuseerd. Tegen een uur of een namen Hedie en ik op straat afscheid met een zoen op de wang.

De volgende dag ging ik verder op tournee. Terwijl ik me probeerde te concentreren op de interviews en ontmoetingen met vrienden en lezers, bleef de ontmoeting met Hedie door mijn hoofd spoken. Wat was er gebeurd? Hoe was het mogelijk dat we na elkaar meer dan veertig jaar niet gezien te hebben zo’n fijn gesprek hadden gehad en zo vertrouwd met elkaar waren? Was er meer aan de hand? Was ik soms…? Nee, onzin. Anna was nog geen zes weken dood. Ik was niet op zoek naar een ander. Alleen al de gedachte. Na tien dagen reisde ik weer terug naar Frankrijk. Hedie had me gemaild. Ik mailde terug. Na een paar mailtjes over en weer begonnen we te bellen. Een kwartiertje, de dag daarna even niet, de dag daarna weer een kwartiertje. Praten over de doden, over ons onszelf, over Heerlen, over Frankrijk. Na een week belden we iedere dag met elkaar. Een uur, twee uur, drie uur. Soms belden we wel vier keer op een dag.

Ik vertelde Hedie dat ik op oudejaarsdag in Heerlen zou zijn voor de verjaardag van mijn broertje, een verjaardag die er door Anna’s ziekte jaren lang bij was ingeschoten. Heb je die avond iets te doen, vroeg Hedie. Nee, antwoordde ik. Vind je het leuk om bij me te komen eten, vroeg ze. Heel leuk, antwoordde ik. Mijn hart bonkte. Daarna kon ik aan niks anders denken. Was ik verliefd? En kon dat wel? Ik was net weduwnaar en Hedie was ook nog niet zo lang weduwe. Wat gebeurde er? Was dit het lot? Ik had het gevoel dat ik een hele rare film met een totaal ongeloofwaardig script was beland. Na een nacht waarin ik geen oog dichtdeed schreef ik Hedie een mail waarin ik zei dat ik van haar hield. Met trillende vingers drukte ik op verzenden. Nog geen kwartier later ging de telefoon. Hedie. Ik ook van jou, klonk het. Het werd weer een lang gesprek. Daarna telden we de dagen af, nog meer bellend en als we even niet belden mocht iedereen weten dat we verliefd waren. Wat fijn, wat leuk. De reacties waren unaniem enthousiast.

Omdat ik niet langer kon wachten reisde ik twee dagen voor oudejaarsdag naar Nederland, in de achterbak van de auto twee koffers. Een kleintje met kleren voor twee, drie dagen en een grotere koffer voor het geval de logeerpartij langer zou duren. Ondanks de rondvliegende hormonen was ik voorzichtig. Was het echt of hadden we elkaar aan de telefoon gek gemaakt? Het was echt. Het voelde als een klein wonder. Zoveel liefde na zoveel verdriet. Wat zouden André en Anna van ons gedrag vinden? Zouden ze vanuit de hemel misschien een handje hebben geholpen? Waar hebben we dit aan verdiend? Hedie en ik hadden meer vragen dan antwoorden.

Ondertussen werd ik voorgesteld aan haar kinderen, familie en vrienden. Er waren uitnodigingen voor dinertjes en als die er niet waren kwam er wel iemand bij Hedie langs om die man uit Frankrijk te bekijken. Alle ontmoetingen waren warm en hartelijk en iedereen vroeg naar mijn leven en naar Anna. En ik vertelde er graag over, als een film waar je niet genoeg van kunt krijgen.

Na tien dagen Heerlen reisde ik weer terug naar Frankrijk. Om een beetje afstand te nemen, om niets te overhaasten en niets kapot te maken. Ik zou drie weken wegblijven, maar dat werden er twee. Vanaf dat moment reisden Hedie en ik samen van Nederland naar Frankrijk en weer terug. Ik was trots om haar voor te stellen aan mijn familie en vrienden. De ontmoetingen waren zonder uitzondering warm en hartelijk en ook zij moest alles vertellen over haar leven en over André.

Na een paar maanden heen en weer reizen besloot ik mijn Franse huis te verkopen. Voor een tweede huis was het te groot en lag er te veel grond bij. Begin 2017 verhuisde ik officieel naar Nederland. Een jaar later trouwden Hedie en ik. Weer een jaar later zette Hedie haar huis te koop en kochten we samen een optrekje in Voerendaal. We zijn er zielsgelukkig. Een huis van ons beiden. De foto’s van André en Anna staan prominent op een tafeltje in de hal. Er gaat geen dag voorbij of we halen herinneringen op aan onze doden. Verdriet en geluk gaan hand in hand. Het ene komt niet in plaats van het andere. Hedie en André waren meer dan veertig jaar samen. Anna en ik dertig jaar. De doden horen bij ons leven, zoals de maan bij de zon en het water bij het land.

Vijf jaar geleden verloren we onze geliefden, maar raar genoeg vraagt bijna niemand er meer naar. Het viel ons op. Is het te eng, te confronterend? Laatst, tijdens een etentje, stelde een vriendin de vraag wel. Missen jullie André en Anna nog? We brandden los, blij om de herinneringen – de mooie én de moeilijke – te kunnen delen. Het werd een mooie avond, met diepe gesprekken. Dank je wel dat je het vroeg.


Return